Menu
  • Bel ons:0299 - 671 366
  • Buiten openingstijden0299 - 671 366

Schapen

Schapen

Lees meer informatie over ziekten bij schapen, zoals leverbot, schmallenbergvirus, klauwproblemen en het Bloed en over vruchtbaarheid bij het schaap en de dekking.

Leverbot (Fasciola hepatica)

De leverbot is een parasiet die voorkomt bij graseters zoals rund, schaap, geit, haas en ree. De volwassen leverbot is een platworm van twee à vier cm die leeft in de galgangen van de lever van de gastheer. De eieren van de leverbot worden met de mest uitgescheiden. De parasiet doorloopt verschillende ontwikkelingsstadia, de zogenaamde leverbotcyclus.

Verschijnselen

De leverbotbesmetting kan in een acute en een chronische vorm optreden. Acute leverbot kenmerkt zich door een trektocht van duizenden jonge leverbotjes door de lever, waardoor de gastheer sterft door verbloeding. Dieren die op zwaar besmet weiland hebben gelopen, kunnen zes tot acht weken na besmetting zonder uiterlijke verschijnselen plotseling sterven. Chronische leverbot is de meest voorkomende vorm. Bij runderen zijn in ernstige leverbotjaren te vroeg afkalven, een verlaagde melkproductie en slechte groei van het jongvee de belangrijkste klachten.

Aanpak

De belangrijkste bestrijdingsmaatregel tegen leverbot is het leverbot-vrij maken van de dieren, zodat er geen leverboteieren op het weiland terechtkomen. Door regelmatig bloed- en mestmonsters te laten controleren op leverbot, kan duidelijkheid worden gekregen over de leverbotsituatie op het bedrijf en worden bepaald of een behandeling nodig is. Bij de keuze van het leverbotbestrijdingsmiddel moet er rekening worden gehouden met de werkzaamheid en de wachttijd van het middel. Het is aan te bevelen een leverbotmiddel te gebruiken dat ook de jonge leverbotstadia doodt, zodat ook acute leverbot wordt voorkomen.

Besmettingsroute

De cruciale factor voor het in stand houden van de leverbotcyclus is de aanwezigheid van de leverbotslak. Dit slakje is tussengastheer voor de leverbot. De leverbotslak leeft op plaatsen waar de bodem het grootste deel van het jaar vochtig is, zoals in greppels, slenken, vertrapte slootkanten en kwelplaatsen achter dijken. De leverbotslak heeft nauwelijks last van strenge winters, maar is wel gevoelig voor droogte. De ontwikkeling van de stadia van de leverbotcyclus buiten de gastheer kan alleen plaatsvinden bij een temperatuur boven de 10º C. In ons klimaat betekent dit dat alleen in de periode april tot december ontwikkeling mogelijk is. Leverboteieren die in april/mei via de mest op het weiland worden gebracht, kunnen zich onder gunstige omstandigheden in augustus/september hebben ontwikkeld tot besmettelijke cysten. De grootste besmetting met leverbot vindt dan ook plaats in de maanden augustus, september en oktober. Dieren kunnen ook in de wintermaanden met leverbot besmet raken.

Schade

De gevolgen van een zware leverbotbesmetting kunnen zeer ernstig zijn. Het kan de dood betekenen voor grote aantallen dieren. De schade, veroorzaakt door leverbot bij zowel kleine als grote herkauwers, is dan ook zeer groot en kan duizenden euro's per jaar bedragen. Door klimatologische omstandigheden en waterpeilverhogingen kan leverbot onverwacht voor problemen zorgen.

Schmallenbergvirus

Het Schmallenbergvirus is een virus dat ziekte en geboorteafwijkingen veroorzaakt bij runderen, schapen en geiten. Het veroorzaakt misvormde lammeren: vergroeiingen van ledematen of afwezigheid van hersenen. Veel misvormde lammeren worden dood geboren, de andere zijn niet levensvatbaar. Opmerkelijk daarbij is dat er soms in één worp gezonde en zieke lammeren geboren worden.

Gebleken is dat schapen na een initiële besmetting immuniteit ontwikkelen. Dit heeft tot gevolg dat ze bij een volgende dracht beschermd zijn en weer gezonde lammeren ter wereld brengen. Daardoor zal deze ziekte zich steeds trager uitbreiden, naarmate de veestapel meer immuun wordt. 

Het virus is is aangetoond op knutten, waarmee het vermoeden is bevestigd dat de knut, een zeer klein steekvliegje dat ook verantwoordelijk is voor de verspreiding van het blauwtongvirus, de verspreider zou kunnen zijn. Er is vooralsnog geen enkele directe besmetting van dier op dier aangetoond.

Klauwproblemen

Klauw- en pootproblemen hebben bij schapen vaak meerdere oorzaken. Naast onvoldoende onderhoud door bekappen spelen hygiëne en voeding een belangrijke rol. De schade is meer dan alleen maar het kreupel lopen van het dier. Zo neemt bij lammeren met klauwproblemen de groei snel af. Bij ooien daalt de conditie en de weerstand, met bijvoorbeeld de kans op het ontstaan van slepende melkziekte. Daarnaast brengen klauwproblemen veel extra arbeid en kosten met zich mee en zijn ze oorzaak van vervroegd afvoeren van dieren.

Rotkreupel

De grootste veroorzaker van kreupelheid bij schapen is rotkreupel. Er moeten twee bacteriën gezamenlijk aanwezig zijn om rotkreupel te veroorzaken. De eerste is Fusobacterium necrophorum. Deze bacterie is altijd aanwezig in de omgeving van het schaap, hij komt in de darmen en dus ook in de mest voor. F. necrophorum zorgt voor verweking van de klauwhuid. De tweede, Dichelobacter nodosus, wordt binnengebracht via aankoop van nieuwe dieren, via laarzen of autobanden.

Beide bacteriën versterken elkaar en dringen samen door het klauwhoorn heen. Ze hebben een voorkeur voor een vochtige en warme omgeving (boven 10 graden Celsius). D. nodosus houdt van een zuurstofarme omgeving, daarom vormen losliggend hoorn en spleetjes in de klauw een goede voedingsbodem voor de bacteriën. Een matige klauwverzorging bevordert het ontstaan van rotkreupel. D. nodosus kan maximaal 14 dagen buiten het schaap overleven. Indien er in een weiland 14 dagen geen schapen hebben gelopen is deze vrij van de rotkreupelbacterie.

Kenmerken van rotkreupel

Plotseling optredende kreupelheid bij meerdere schapen. In het begin van de infectie is nog niet veel aan de huid tussen de klauwtjes te zien behalve dat het er wat grijswit uitziet en warm aanvoelt. Later wordt het weefsel aangevreten en ontstaat er een geel beslag van dood weefsel. Hoornweefsel raakt ondermijnd en gaat als reactie woekeren. Er kan zelfs complete ontschoening ontstaan.

De rotkreupel geeft een typische geur van dood weefsel, dit is kenmerkend voor deze aandoening. Het klassieke beeld van op de voorknieën grazende schapen kan ontstaan. Niet elk op de voorknieën grazend schaap is een rotkreupelschaap. Andere redenen voor pijn in de ondervoet kunnen dit beeld ook geven. Er is geen aantasting van de gewrichten.

Rotkreupel is een koppelprobleem. Bij ongeveer driekwart van de Nederlandse koppels komt rotkreupel in meer of mindere mate voor. De infectie is niet altijd zichtbaar maar komt tot uiting afhankelijk van de weersomstandigheden. Warm en vochtig weer bevordert rotkreupel. Bij een temperatuur onder de 10 graden vermenigvuldigt de rotkreupelbacterie zich niet, waardoor pieken vaak in voor- en najaar worden gezien.

Behandeling

Beginnende infecties zijn redelijk goed te behandelen. Gevorderde infecties vragen een harde aanpak. De behandeling bestaat uit de volgende onderdelen:

1. Bekappen. Al het losse hoorn wegknippen met de bekapschaar en netjes afwerken met het bekapmesje en de klauw weer in model snijden. Pas op dat de klauw niet gaat bloeden. Dit geeft weer kans op meer ontsteking. Ontsmet het gereedschap tussendoor. Afsnijdsels verwijderen en zeker niet in de wei laten liggen. In het weggesneden hoornmateriaal kunnen bacteriën weken lang overleven.

2. Tussenklauw sprayen met tetracycline. Twee keer sprayen en tussendoor op laten drogen. Laat de dieren niet direct in een natte weide zodat de spray goed kan hechten. Bij hardnekkige gevallen kan men de tussenklauw insmeren met florfenicol. Dit kan men het beste met een kwastje doen.

3. Voetbad met zinksulfaat en/of formaline. Dit moet een 10% oplossing zijn. Het beste is een stabad waar de dieren een half uur instaan. Na het voetbad is het goed de dieren op een betonplaat op te laten drogen. Indien dit niet mogelijk is of bij kleine koppeltjes kan men de hoof and sole hardener spray gebruiken. Deze verhardt de klauw en bevat phenol en formaline. Footprotect schaap is als milieuvriendelijk alternatief voorhanden. Dit is een voetbad op basis van etherische oliën en plantenextracten.

4. Injecties met antibiotica. Er zijn drie geschikte middelen: Tilmicosine, tulathromycine en lincomycine-spectinomycine. Tilmicosin en tulathromycine hoeft maar één maal gespoten worden. Tilmicosin moet wel nauwkeurig gedoseerd worden omdat een dubbele dosering al dodelijk kan zijn! Tilmicosin is sinds kort een UDD preparaat en mag alleen door de dierenarts toegepast worden. Lammeren onder de 15 kg lichaamsgewicht moeten met een ander middel behandeld worden. Lincomycine-spectinomycine moet drie dagen achter elkaar gespoten worden en is iets goedkoper. Nadeel is dat het in de praktijk niet meevalt om de dieren drie dagen te behandelen.

5. Na behandeling de schapen in een schone wei doen waar twee weken geen schapen hebben gelopen.

6. Enten bij hardnekkige problemen of bij grotere koppels om de weerstand tegen rotkreupel te vergroten. De enting moet na vier tot zes weken herhaald worden. Daarna jaarlijks voor de risicoperiode. De vaccinatie kan uitgevoerd worden bij dieren ouder dan drie maanden. Men kan niet volstaan met alleen een enting om de uitbraak te stoppen. Een enting helpt wel de genezing te bevorderen. De enting wordt zes cm achter het oor gegeven. Deze enting geeft regelmatig abcessen als entreactie.

Plan van aanpak om vrij te worden van rotkreupel

De volgende aanpak kan ervoor zorgen dat kleinere koppels tot 50 schapen vrij worden van rotkreupel. Deze aanpak heeft het meeste zin als de lammeren gespeend zijn en het mooi droog zomerweer is.

1. Behandelen en bekappen van de hele koppel op één dag. Alle pootjes insmeren met florfenicol. Alle aangetaste dieren behandelen met antibiotica.Tenslotte alle dieren in een voetbad met zinksulfaat en formaline zetten gedurende een half uur.

2. Na de behandelingen de dieren in een schone weide plaatsen.

3. Na drie weken wordt een controlebehandeling gegeven met selectie. Dieren die dan nog rotkreupel hebben moeten uitgeselecteerd en afgevoerd worden. De gezonde dieren krijgen weer een voetbad.

4. Na de behandeling worden de dieren in een schone weide gezet. Dit is een weide waarin twee weken geen schapen gelopen hebben.

Preventie

Voorkomen van insleep. Verstrek laarzen aan bezoekers, en laat alleen ontsmette en gereinigde aanhangers in de weide toe. Pas op met gezamenlijk gebruik van een veewagen. Regelmatig bekappen van de klauwtjes (twee keer per jaar). Op tijd bekappen van schapen, geiten en hun lammeren kan veel extra werk voorkomen. Direct na het aflammeren is een goed moment om te bekappen. Nieuwe aankopen zoals rammen twee weken apart houden, bekappen, in een voetbad zetten en antibiotica spuiten. Pas als zeker is dat zij vrij zijn mogen ze bij de koppel. Enten is ook een mogelijkheid. De entstof richt zich tegen de fimbriae of pili (haarachtige structuren op de buitenkant van de bacterie). Ook goede voeding, met voldoende mineralen die zorgen voor een harde klauw die meer weerstand biedt tegen de rotkreupelbacterie, werkt preventief. 

Het is mogelijk om op rotkreupelgevoeligheid te selecteren. Noteer bij welke schapen de rotkreupel hardnekkig is of steeds terugkomt. Bij de steeds terugkerende gevallen kan opruimen nodig zijn in verband met een mogelijke erfelijke overgevoeligheid.

Het Bloed

Het Bloed is een aandoening die vooral bij opgroeiende lammeren problemen veroorzaakt. De ziekte kan slachtoffers maken onder schapen van alle leeftijden. Andere benamingen voor het bloed zijn weeldeziekte, eiwitvergiftiging of enterotoxemie. De aandoening wordt voornamelijk veroorzaakt door Clostridium perfringens type D en kan zich op verschillende manieren manifesteren.

Verschijnselen

In de meeste gevallen hebben schapenhouders niet eens door dat het schaap ziek is. De ziekte verloopt zó snel dat het dier dood gevonden wordt. In veel gevallen zijn het de snelstgroeiende lammeren die dood gevonden worden. Het zijn vooral eenlingen en de snelst groeiende tweelingen die getroffen worden. De dieren draaien een paar keer rond, gaan liggen, strekken de hals en sterven binnen een paar uur.

Behandeling

Behandeling komt vaak te laat. Soms kan een enkeling gered worden met een intensieve verzorging en een antibioticum injectie.

Preventie

Volwassen schapen die al eerder geënt zijn moeten twee tot vier weken voor het lammeren nogmaals geënt worden. Eenjarige schapen moeten een basisenting krijgen. De eerste enting zes tot tien weken voor het lammeren. De tweede enting twee tot vier weken voor het lammeren. Lammeren geboren uit geënte ooien zijn ongeveer zes tot twaalf weken beschermd tegen het bloed. Dit is sterk afhankelijk van een goede biestvoorziening. De antistoffen worden via de biest overgedragen.

Pas op voor plotselinge overgangen naar rijke, volle weides of verhoging van krachtvoergiften.

Er zijn twee vaccins geregistreerd tegen ´het Bloed´. Het is mogelijk om de ooien voor het aflammeren te laten vaccineren, waardoor de lammeren via de biest antistoffen binnen krijgen. Zijn de ooien niet geënt dan kunnen de lammeren op jonge leeftijd geënt worden. Het vaccin is al vanaf een leeftijd van twee weken toegestaan en geeft bescherming tegen meer clostridiumstammen. Het vaccin geeft een goede bescherming tegen tetanus (klem). 

Zomerlongontsteking (pasteurellose)

Voorkomen

Deze longontsteking kan op elke leeftijd voorkomen en hoeft niet alleen in de zomer op te treden. Meestal wordt het gezien bij opgroeiende lammeren. De ziekte wordt door een bacterie veroorzaakt; Mannheimia hemolytica. De ziekte speelt nogal eens op door de stress rondom het spenen.

Verschijnselen

De eerste dieren worden dood aangetroffen voordat er ook maar verschijnselen van longontsteking zichtbaar zijn. Het verschil met ´het Bloed´ is in deze gevallen alleen met sectie uit te maken. Later ontstaat vaak het beeld van chronisch hoesten,longontsteking en conditieachteruitgang. In oktober-november speelt vooral de plotselinge dood een hoofdrol. 

Behandeling

Behandeling met antibiotica is mogelijk maar komt vaak te laat.

Preventie

Als er in voorgaande jaren ook sterfgevallen zijn geweest door zomerlongontsteking is het aan te raden om tegen de ziekte te enten. Dit kan met een combinatievaccin dat tevens bescherming geeft tegen ´Het Bloed´. Antistoffen van de ooi tegen zomergriep worden bijna niet via de biest doorgegeven aan de lammeren. Daarom moeten de lammeren, ook de jonge lammeren, afzonderlijk gevaccineerd worden. 

Sectie van gestorven schapen

Indien het nodig is de doodsoorzaak van een gestorven schaap te achterhalen, kan het dier worden ingezonden voor pathologisch onderzoek. Dit onderzoek wordt uitgevoerd bij de GD in Deventer (telefoon van de ophaaldienst 0900 - 202 00 12 tussen 7.00 - 17.00 uur). Sectie van schapen is relatief goedkoop omdat de overheid dit subsidieert. De GD heeft een ophaaldienst die het dode dier op komt halen. Om bederf van het kadaver tegen te gaan is het goed om het nat te maken.

Zere bekjes

Oorzaak

Zere bekjes of ecthyma is een besmettelijke aandoening van huid en slijmvliezen. De veroorzaker is een virus dat behoort tot de pokkenvirussen (parapox-virus).

Voorkomen

De grootste problemen doen zich voor bij lammeren en daarna ook bij de moeder van de lammeren.

Verschijnselen

Het ecthyma virus kan zich alleen vermenigvuldigen in huid of slijmvliezen tijdens het herstel van kleine wondjes. De verschijnselen komen vooral voor rond en in de bek. Soms zijn er geen uiterlijke verschijnselen en treden er beschadigingen in de mond, slokdarm en pens op. Deze dieren eten een aantal dagen niet en kunnen zelfs van de honger omkomen. Ook aan de ondervoeten kunnen problemen ontstaan. Enkele dagen na infectie ontstaat een rode zwelling. Na vijf à zes dagen ontstaan blaasjes die openbarsten en korsten krijgen.

Bijkomende bacteriën verergeren het beeld. Als er geen bacteriën zijn, die de genezing belemmeren, duurt het vier weken voordat het dier weer hersteld is. Op het mondslijmvlies ontstaan verhevenheden met een bloedrijke rand. Een deel van de ooien kan een uierontsteking oplopen.

De ziekte komt ook voor bij de mens in de vorm van een pijnlijke en ernstig jeukende huidontsteking. Dit kan gepaard gaan met koorts en zwelling van de plek en de daarbij behorende lymfknopen.Het uiteindelijke herstel kan een maand duren. 

Een uitbraak van ecthyma duurt zes tot acht weken. Afhankelijk van de ernst van de infectie nemen de dieren enkel dagen tot een week weinig tot geen voer op. Jonge lammeren kunnen hierdoor zo verzwakken dat ze hieraan sterven. Oudere lammeren hebben over het algemeen minder problemen.

Behandeling

Het virus moet door het dier zelf overwonnen worden. Met CTC-spray kunnen bijkomende bacteriën gedood worden. Aanstippen met jodiumtinctuur geeft een virus- en bacteriedodend effect hoewel men niet moet verwachten dat dit diep genoeg doordringt. Aluspray wordt vrij veel gebruikt om de wonden af te dichten.

Preventie

Het ecthymavirus is zeer resistent. Droge korsten blijven bij lage temperaturen lang infectieus. Bij vochtigheid en hoge temperaturen gaat de besmettelijkheid snel verloren. Dieren besmetten zich door direct contact of via voerbakken. De weerstandsopbouw tegen een nieuwe infectie is niet lang. Mogelijk spelen virusdragers een rol bij nieuwe uitbraken. 

In koppels met ecthyma moeten huidbeschadigende behandelingen zoals tatoeëren, couperen en castreren achterwege gelaten worden omdat in de wonden ecthyma toe kan slaan. Werk met plastic handschoenen bij behandeling van de dieren om zelf niet besmet te raken. 

In Engeland is een entstof tegen ecthyma verkrijgbaar. Deze entstof mogen we ook in Nederland inzetten als er symptomen van ecthyma bij de koppel zijn gevonden. Aankoop van dieren blijft altijd een risico omdat dragers niet herkenbaar zijn en de ziekte meestal niet in de quarantaineperiode tot uiting komt.

Vruchtbaarheid

Hieronder volgt enige informatie over vruchtbaarheid bij schapen.

Flushing

Flushing betekent dat men de schapen op schrale weides laat lopen tot ongeveer twee tot drie weken voor het dekseizoen. Als ze vlak voor het dekseizoen weer in conditie toenemen dan heeft dit een positief effect op de eisprong en dus het aantal lammeren. Een conditiescore van 3.5 geeft de meeste lammeren.

Naast een groeiende conditie is rust in de koppel van groot belang in de dekperiode. Zorg ervoor dat alle behandelingen zoals ontwormen, scheren en klauwverzorgen al gedaan zijn vóór deze periode.

Dekram

Het is noodzakelijk om een nieuwe dekram twee weken in quarantaine te zetten voordat u hem bij de ooien plaatst. Een dekram kan alleen goed zijn werk doen als hij vrij aandoeningen is. Bovendien wil men met een nieuwe ram geen nieuwe ziektes in de koppel introduceren.

Let in deze twee weken op rotkreupel, ecthyma (zere bekjes), huidparasieten, diarree door wormen. Het is verplicht een ARR/ARR ram in te zetten. Koop bij voorkeur een zwoegerziektevrije ram van een adres dat goed bekend staat. Het kopen van een ram waarvan de herkomst niet bekend is, is onverstandig. 

Bekap de ram en zet hem een half uur in een voetbad met zinksulfaat of formaline. Geef de ram een wormbehandeling met een middel uit de ivermectinegroep zoals Dectomax, daarnaast is een wormbehandeling met een middel uit de levamisolgroep, bijvoorbeeld met Endex, nodig om de insleep van resistente wormen tegen te gaan. Deze aanpak lijkt wat overdreven maar kan een hoop ellende voorkomen.

Zie erop toe dat de ram een goed zittend dektuig draagt dat nergens irriteert of schade veroorzaakt. Houdt er rekening mee dat als een ram ziek is geweest, de spermakwaliteit zes tot acht weken later verminderd kan zijn.

Zoekram

Het gebruik van een gesteriliseerde ram (zoekram) is een mooie methode om een groep schapen in een korte periode te laten aflammeren. Een zoekram is niet gecastreerd, maar bij de operatie wordt van beide zaadleiders twee cm verwijderd en de testikels blijven zitten. Na de operatie kunnen de rammen nog zes weken vruchtbaar blijven dus het is belangrijk dit ruim van te voren te plannen. Een zoekram van een ander ras heeft als voordeel dat hij altijd als dusdanig herkenbaar blijft.

Twee à drie dagen na het binnenbrengen van een zoekram ontstaat bij de ooien een stille bronst. In deze eerste bronst worden de ooien meestal niet gedekt. En al dekt de zoekram dan heeft dit geen effect omdat deze onvruchtbaar gemaakt is.

Na 14 dagen moet de zoekram ingeruild worden voor de dekram. Drie weken nadat de zoekram in de kudde gebracht is worden de meeste ooien bronstig. Een aantal wordt vier weken nadat de zoekram in de groep gebracht is bronstig. Het gevolg is dat bijna alle ooien in een week gedekt worden. Het grote voordeel is dat op een natuurlijke wijze, en zonder sponzen in te brengen, de ooien in een korte periode aflammeren.

Eén zoekram per 40 - 50 ooien is voldoende. Omdat de ooien in een korte periode gedekt moeten worden is bij deze methode één dekram per 20 - 25 ooien nodig.

Sponzen

Bronstsynchronisatie om een korte aflamperiode te krijgen is ook mogelijk door het inbrengen van hormoonsponzen in de schede. Vlak na het moment dat de sponzen verwijderd worden ontstaat de eisprong.

Omdat alle dieren tegelijk bronstig worden is één ram op tien ooien noodzakelijk. Dit is op te vangen door in kleine groepjes te sponzen maar dit geeft wel meer spreiding in het aflammeren. Het beste resultaat krijgt men als men de ooien één voor één aan de ram aanbiedt. Tussen de dekkingen kan men de ram het beste 10 minuten rust geven. De spreiding in het aflammeren is acht dagen.

Ook kan het sponzen gebruikt worden om lammeren buiten het seizoen te fokken of ooien voor te bereiden op kunstmatige inseminatie. Toediening van een hormooninjectie op het moment van het verwijderen van de spons verbetert het bevruchtingspercentage en het aantal lammeren. Buiten het normale dekseizoen is alleen sponzen onvoldoende, er moet dan altijd een hormooninjectie gebruikt worden.

Er moet een ram gezocht worden die buiten het seizoen dekken wil. De Texelaar vertikt het meestal buiten het seizoen, de Suffolk is minder seizoengebonden. Over het algemeen doen rammen van de vruchtbare rassen het beter buiten de herfsttijd. Het beste is om de rammen een hele dag voor het verwijderen van de sponzen bij de ooien te zetten. Dit is om beide te stimuleren.

Na het verwijderen van de spons kan de ooi wat vuilen. Dit heeft geen effect op de vruchtbaarheid.

Behandelingschema

  • Dag 1: Sponsje inbrengen.
  • Dag 12, 13 of 14 's ochtends: sponsje verwijderen en hormooninjectie geven.
  • 48 uur later: eerste dekking ('s ochtends)
  • 60 uur na verwijderen spons: tweede dekking ('s avonds)
  • Sponzen heeft alleen zin bij gespeende ooien omdat de zogende lammeren een remmende invloed hebben op de eisprong. Net als in de herfst is het ook goed om de ooien buiten het seizoen te flushen voor het sponzen.

Scannen/drachtigheidsonderzoek

Drachtigheid is met behulp van echografie het meest nauwkeurig te onderzoeken op een drachtlengte van 45 tot 90 dagen. Jongere drachten zijn vanaf 35 dagen te herkennen maar zo klein dat de individuele vruchtjes moeilijk te tellen zijn. Drachten langer dan 90 dagen zijn moeilijk te tellen omdat de lammeren zo groot worden dat ze niet meer compleet op het scanbeeld passen. Guste ooien kunnen herkend worden vanaf een maand na vertrek van de ram. 

Het scannen vindt plaats bij het staande schaap. Het is een uitwendig onderzoek waarbij de scanner voor de uier op de buikwand gezet wordt. Deze plek is over het algemeen vrij van wol en het schaap hoeft daarom niet voor het scannen geschoren te worden.

Voordelen van scannen zijn

  • Ooien drachtig van eenlingen kunnen minder of geen krachtvoer krijgen; de kans op een te zwaar lam wordt hierdoor kleiner.
  • Ooien drachtig van meerlingen kunnen meer en beter voer krijgen om slepende melkziekte te voorkomen en de melkgift te bevorderen. De lammeren zullen zwaarder en vitaler zijn.
  • Ingrijpen tijdens de geboorte van de lammeren is minder nodig. Er hoeft niet meer nagevoeld te worden naar een achtergebleven lam. Stagiaires weten waar ze aan toe zijn.
  • Guste ooien kunnen op een gunstig tijdstip verkocht worden. Dit kan een voordeel van 20 euro geven ten opzichte van verkoop in het lammerseizoen.
  • Drachtige fokooien kunnen verkocht worden met het aantal te verwachten lammeren.

Ter voorbereiding van het scannen heeft het de voorkeur de schapen op te stallen en 12 uur te laten vasten of zeer matig te voeren. Sterke rantsoenwisseling voor het scannen moet vermeden worden omdat dit gasontwikkeling in de pens bevordert. Gas kan het echobeeld vertroebelen.

Abortus/verwerpen

Abortus of verwerpen kan veel oorzaken hebben. Abortus bij het schaap kan een infectieuze of een niet-infectieuze oorzaak hebben.

Bij niet-infectieuze oorzaken kan gedacht worden aan toediening van verkeerde medicijnen, een behandeling die veel stress geeft of een ernstige leverbotinfectie. Ook ernstige stress door loslopende honden in de wei kan abortus veroorzaken. Verder kan abortus bij te weinig ruimte aan de voerbak aan het einde van de dracht optreden door inwendig trauma door dieren die elkaar weg stoten. Onvoldoende beschikbaarheid van water kan er voor zorgen dat de dieren minder opnemen waardoor slepende melkziekte ontstaat met als gevolg verwerpen.

Eén van de infectieuze veroorzakers is de bacterie Chlamydia abortus, die bij vele diersoorten inclusief de mens ziekteverschijnselen kan veroorzaken. Ooien kunnen symptoomloos drager zijn van de bacterie, waardoor het ongemerkt een koppel kan binnendringen bij aankoop van een ooi.

Verschijnselen 

De uitvloeïng, nageboorte en verworpen vrucht zijn een bron van besmetting. Voor onderzoek moet men zowel de vrucht als de nageboorte naar het laboratorium sturen. Zwangere vrouwen wordt afgeraden te helpen met verlossingen omdat ze zelf ook het risico lopen het kind te verliezen door een chlamydia-infectie!

Veel abortusverwekkers zijn gevaarlijk voor de mens: Chlamydophila, Listeria, Salmonella, Coxiella, Toxoplasmose, Campylobacter, Brucellla, Yersinia en Leptospira.

Bij bedrijven met verwerpers moet eerst de veroorzaker opgespoord worden door middel van bloedonderzoek en onderzoek van vruchten en nageboorte voordat men tot enten overgaat.

Behandeling

Vaccineren tegen Chlamydia is mogelijk. Dit moet plaatsvinden vier weken tot vier maanden voor de dekking op probleembedrijven.

Een andere oorzaak is een infectie met Toxoplasma gondii of Coxiella Burnettii. Toxoplasmose is de meest gestelde diagnose voor verwerpen in de afgelopen twee jaar volgens GD gegevens. Daarna volgen Chlamydia en Campylobacter (fetus en jejuni). Meer incidenteel werden Listeria en Yersinia soorten gevonden. Naast de voorgaande infecties kunnen ook salmonella, brucella en bacilussoorten tot verwerpen leiden.

Terug naar Landbouwhuisdieren

Contactinformatie praktijk

Dierenkliniek De Rijp

Terug
  • Ma
    8.30 - 17.00 uur
  • Di
    8.30 - 17.00 uur
  • Wo
    8.30 - 17.00 uur
  • Do
    8.30 - 17.00 uur
  • Vrij
    8.30 - 17.00 uur
  • Za
    Gesloten
  • Zo
    Gesloten
Terug

Vind ons hier:

Schoener 2 1483 TP De Rijp Inloopspreekuur: ma, wo, vr: 14.00 - 14.30 en 18.30 - 19.00
ontvang een routebeschrijving via Google Maps