Menu
  • Bel ons:0299 - 671 366
  • Buiten openingstijden0299 - 671 366

I.v.m. de verspreiding van het Coronavirus is ons beleid tijdelijk aangepast. Lees meer hierover op onze homepagina.

Paard

Paarden

Het paard (Equus caballus) is een (gedomesticeerd) hoefdier uit de orde der onevenhoevigen, een van de ongeveer 10 huidige soorten uit de familie der paardachtigen (Equidae). De Latijnse woorden equus en caballus betekenen overigens beide "paard". Het paard wordt voornamelijk gehouden als rij- en trekdier.

Algemeen

Paarden zijn planteneters (herbivoren), maar geen herkauwers. De voortanden gebruiken ze om gras en dergelijke mee af te rukken, waarna dit door de kiezen vermalen kan worden. Zowel hun gehoor als hun reukvermogen is bijzonder goed ontwikkeld. De manen, het lange haar op de bovenzijde van de hals, zijn vermoedelijk ontstaan als bescherming tegen roofdieren zoals katachtigen, die het paard op de rug springen en in de nek bijten. Door dan de aanvaller met bokkende bewegingen van zich af te schudden, verliest het paard enkel wat van zijn manen. De staart wordt gebruikt om insecten te verjagen.

Het paard in de geneeskunde

In het verleden werd het vet van paardenmanen gebruikt bij brandwonden en als reumazalf. Bij verkoudheid werd paardenmest gekookt en opgedronken. Wie last had van zweren droeg eelt van een paard als amulet. Slangengif kan in lage doses aan paarden worden toegediend. Deze ontwikkelen antistoffen tegen het gif en zo kan hun serum worden gebruikt als tegengif bij de mens.

Paarden wordt sinds enkele jaren ook in Europa gebruikt voor de productie van paardenmelk. Deze melk wordt geproduceerd op een paardenmelkerij. Aan paardenmelk worden verschillende positieve eigenschappen toegeschreven. Het product wordt bijvoorbeeld gebruikt door patiënten als middel bij huidaandoeningen zoals atopisch eczeem en psoriasis. Mensen met een koemelkallergie, kunnen vaak wel paardenmelk verdragen.

Hippotherapie is een vorm van paardrijden als therapie die wordt aangeboden door maneges die zijn aangesloten bij de Federatie Paardrijden Gehandicapten (FPG).

Paardenvoer

Een paard heeft twee maal zes kiezen in de onderkaak en twee maal zes kiezen in de bovenkaak. Ook heeft het dier zes snijtanden onder en zes boven. Tussen de snijtanden (voortanden) en de kiezen zitten de tandloze kaakranden, ook wel De Lagen genoemd. Hier ligt het bit op tijdens het rijden. Er zitten wel nog 2 kleinere tanden: de haaktanden.

Paarden eten vooral gras, kuilgras en hooi maar ook kuilmais, voederbieten, melasse een afvalproduct van de suikerindustrie, geplette gerst, zemelen, wortelen enz. Daarnaast is er allerhande paardenbrok, een in de fabriek samengesteld voeder, te verkrijgen. Ook is het nodig om een liksteen speciaal voor paarden in de stal of de wei te plaatsen. Energierijk krachtvoer voor paarden die veel arbeid moeten verrichten bevat vaak haver.
Oude paarden kunnen vaak geen hooi of gras meer eten doordat hun gebit te ver af gesleten is. Hierdoor vermageren ze sterk. Half 2005 is er een zogenaamde senioren slobber voor deze paarden op de markt gekomen. De droogvoerkorrels worden aangemaakt met water (drie tot vier liter per kg voer), waarna het door het paard opgeslobberd kan worden.

Ziekten

Diarree

Diarree kan op verschillende manieren ontstaan. Het wateropnemend vermogen van de blinde darm en de dikke darm kan verminderd zijn, o.a. door een ontsteking van het darmslijmvlies, of er wordt te veel water vastgehouden of juist aangetrokken. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval als het paard grote hoeveelheden jong gras eet of na laxeren.

Ook de beweeglijkheid (motiliteit) van het darmkanaal kan verstoord zijn, waardoor de tijd waarin afvalstoffen opgenomen kunnen worden, te kort is. Aantasting van alleen het slijmvlies van de dunne darm geeft meestal 'slappe faeces', omdat het extra vocht dat vanuit de dunne darm in de dikke darm terechtkomt, voldoende door de dikke darm wordt opgenomen.

De belangrijkste oorzaken van diarree bij jonge en volwassen paarden en pony's zijn worminfecties, salmonellose, colitis-X, zand in de darm, een afwijkend rantsoen en vergiftigingen. Heel zelden kan diarree ook aangetroffen worden bij tumoren in de darm of in de maag. Ook bij andere aandoeningen, bijvoorbeeld van de lever of nieren, kan diarree worden gezien. Ook bij nerveuze paarden is diarree mogelijk, o.a. tijdens het werk of tijdens transport. Men noemt dit 'nervositeits-diarree'. Bij zogende veulens kan diarree eveneens veroorzaakt worden door bacteriën, virussen of parasieten, maar ook de samenstelling van de moedermelk is een enkele keer de oorzaak van dunne mest bij veulens. Ook een door mest bevuilde staart van een paard wijst op diarree.

Oorzaken

Worminfecties
Met name cyathostominose (infectie met kleine strongyliden) geeft vaak diarree. Vaak is het chronisch. Soms gaat deze worminfectie gepaard met salmonellose (zie onder).

Salmonellose
Een infectie met de Salmonella-bacterie verloopt altijd oraal: paarden nemen de bacterie dus via de mond op. Besmette paarden worden drager: ze scheiden de bacteriën uit met de mest. Veelal verloopt deze ziekte symptoomloos en na enkele maanden (soms jaren) zijn de bacteriën doorgaans vanzelf uit het darmkanaal verdwenen. De ziekte kan dus vanzelf en symptoomloos genezen. Hebben deze paarden echter tevens worminfecties, een slechte voedingstoestand, koliek of een andere vorm van 'stress', dan openbaart de ziekte zich acuut: koorts, diarree, vaak met bloed en aansluitend nogal eens bloedvergiftiging. De paarden zijn dus ernstig ziek en soms sterven ze al binnen één tot drie dagen! Vaak gaat deze acute vorm samen met worminfecties en/of zandophopingen in de darm. De behandeling bestaat uit o.a. antibiotica en verder vochtinfusen.

Colitis-X
Deze aandoening komt niet zo vaak voor, is niet besmettelijk en verloopt erg acuut. De oorzaak is niet helemaal bekend, vandaar dat men het colitis-X noemt. De bacteriële flora zorgt normaliter mede voor de vertering in de dikke darm. Bij een verstoring hiervan krijgen anaerobe bacteriën (d.w.z. bacteriën die niet van zuurstof houden, zoals o.a. Clostridium) de overhand en gaan toxinen (gifstoffen) produceren. Dit kan ontstaan na rantsoenveranderingen, door stress, maar ook door het geven van antibiotica. De diarree (waterdun) treedt heel acuut op, het paard is suf en heeft o.a. koorts. Hij kan in shock raken en daardoor juist ondertemperatuur krijgen. Ook nu kunnen ze binnen enkele uren of dagen sterven en ook kunnen ze hoefbevangen worden. De prognose van Colitis-X is slecht. Ondanks grote hoeveelheden infusen en eventueel andere medicijnen sterven ze vaak toch nog.

Zand
Wanneer paarden of pony's op een schrale weide worden gehouden en nauwelijks worden bijgevoerd nemen ze met het gras veel zand op. Meestal passeert het zand aardig vlot en wordt dan weer met de mest uitgescheiden, maar soms hoopt het zich op in de blinde darm en in de dikke darm. Het wordt nogal eens in de winter en het vroege voorjaar gezien, of in de zomer wanneer het lange tijd erg droog is. Bij pony's ziet men het vaker, omdat deze 's winters ook buiten lopen en vaker op een schrale weide worden gehouden. 
De verschijnselen van zandophopingen zijn terugkerende koliek en diarree. Meestal zijn ze niet ziek en zijn ze niet uitgedroogd, zoals bij de vorige drie oorzaken van diarree. Tenzij er natuurlijk tevens wormen of salmonella in het spel zijn.

Om vast te stellen of er sprake is van zand, dient men de mest uit te spoelen met water. Vaak is aan het gewicht van een mestbal ook al te voelen dat er zand in zit. De behandeling bestaat uit laxeren (paraffine) en ook kan men het paard lijnzaadslijm laten drinken. Dit werkt zacht laxerend en tevens inhullend voor het darmslijmvlies.

Afwijkend rantsoen
Snel gegroeid gras (dus waterrijk en veel mineralen) geeft vaak diarree. Het paard is verder niet ziek. Ook voederwisselingen, slecht voer (schimmelig, bedorven, bevroren) kan diarree veroorzaken. Doorgaans eten paarden schimmelig hooi liever niet, maar als er niets anders is...
Bij paarden met alleen chronische diarree waarvoor geen oorzaak wordt gevonden, geeft het voeren van nagenoeg alleen krachtvoer een verbetering te zien, omdat hiermee de dikke darm wordt ontzien.

Vergiftiging
Giftig zijn bijvoorbeeld ricinusbonen (25 gram bonen zijn voor een paard van 500 kg al dodelijk). Deze kunnen als verontreiniging zitten tussen andere bonen. Het paard wordt zo'n zeven uur na opname sloom, gaat zweten en verliest de coördinatie. Het raakt al snel in shock en sterft.
Andere vergifigingen welke gepaard gaan met diarree kunnen veroorzaakt worden door arsenicum, kwik, en enkele plantensoorten, zoals digitalis (vingerhoedskruid), rhododendron, pseudo-acacia en buxus. Vanzelfsprekend zijn er nog veel meer giftige planten, maar die geven meestal geen diarree.   

Behandeling van diarree

Bij de meeste van de oorzaken hierboven is al een behandeling aangegeven. Belangrijk is in ieder geval het toedienen van infusen bij uitdroging. Daarnaast zijn er medicijnen die de spasmen van de darm opheffen en andere medicijnen die een min of meer 'stoppend' effect hebben. Het zal duidelijk zijn dat het bestrijden van de oorzaak, als die tenminste gevonden wordt, het meest effectief zal zijn. Pas op met antibiotica.

Droes

Droes is een besmettelijke ziekte die alleen voorkomt bij paarden, ezels en muildieren en wordt veroorzaakt door de bacterie Streptococcus equi. Droes kan voorkomen op elke leeftijd en bij elk ras. Oudere dieren hebben doorgaans een zeer goede weerstand na infecties. Het meeste risico lopen jonge paarden, paarden die worden gehouden in grote aantallen en in aanraking komen met andere paarden, en paarden die veel op concoursen en shows komen. 

Droes is pijnlijk, moeilijk te behandelen en kan voorkomen bij paarden die er, op het eerste gezicht, volkomen gezond uitzien (circa 10% van de paarden die herstellen, blijft drager). Daarom is het noodzakelijk contact met andere paarden zoveel mogelijk te vermijden. Binnen een stal of erf kan droes zich snel verspreiden door direct contact tussen paarden of door indirect contact, bijvoorbeeld door gezamenlijke drink- en voederbakken of via zadels en tuig, kleding en schoeisel.

Symptomen

Drie tot veertien dagen nadat het paard besmet is geraakt, kunnen de eerste verschijnselen optreden. Het dier heeft koorts (een normale temperatuur van het paard is niet hoger dan 38 °C!) wat wel kan oplopen tot 41 °C, is sloom, eet niet. Andere verschijnselen zijn: neusuitvloeiing (eerst slijmerig, later etterig), speekselen, moeilijk slikken waardoor er voedsel via de neus terugkomt, pijnlijk hoesten. Soms staan de paarden met een gestrekte hals en hebben ze een te volle keelstreek. De lymfeklieren aan het hoofd zijn verdikt en pijnlijk en soms hoor je de paarden snurken doordat de gezwollen lymfeklieren de keel dicht drukken. Soms dreigen ze zelfs te stikken.

Na zeven tot veertien dagen breken de ontstoken lymfeklieren meestal door naar de keelholte, waarbij een etterige neusuitvloeiing kan worden gezien. In de voerbak ligt dan pus. De doorbraak kan ook naar buiten plaatsvinden of naar de luchtzakken. In het laatste geval kan er een luchtzakontsteking ontstaan. Na het doorbreken is de zwelling in de keelstreek minder en de lichaamstemperatuur daalt weer. Soms zijn de klinische verschijnselen zo duidelijk dat de dierenarts gemakkelijk de diagnose kan stellen. Dit is echter niet altijd het geval en soms moeten er neusswabs genomen worden voor verder onderzoek. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de diagnose van een dierenarts altijd noodzakelijk is, aangezien een paard dat een aantal van de bovengenoemde symptomen vertoont ook een andere aandoening kan hebben.

Vormen van droes

  • Keeldroes
    Dit is de meest voorkomende vorm en is een etterige ontsteking van de keel en de keellymfeklieren aan het hoofd.
  • Kooierdroes
    Als alleen de lymfeklieren tussen de kaaktakken ontstoken raken.
  • Verslagen droes
    Dit is de meest ernstige vorm: hierbij ontstaan abcessen in organen of in de lymfeklieren van de borst- of buikholte van het paard. Wanneer een dier niet herstelt na het doorbreken van de lymfeklieren bij keeldroes, de koorts aanhoudt en de conditie achteruit gaat, kan de dierenarts vaststellen of er sprake is van verslagen droes.
    Wanneer een veulen droes heeft, kan deze bij de merrie een melkklier-ontsteking (mastitis) veroorzaken, waarbij abcessen in het uier kunnen ontstaan.

Het verloop van keel- en kooierdroes is meestal goedaardig.

Wormen

Ontwormen

Ontwormingsmiddelen worden tegenwoordig niet zomaar meer afgegeven. Uit onderzoek is gebleken dat te vaak behandelen de ontwikkeling van resistentie (de wormen zijn ongevoelig voor de ontwormingsmiddelen) versnelt. Ook is recent aangetoond dat 80% van de paarden niet of slechts heel licht besmet zijn. Bovendien hoort een paard de gelegenheid te krijgen om een natuurlijke immuniteit tegen wormen op te bouwen. Voordat een paard ontwormd wordt dient er daarom mestonderzoek plaats te vinden.

Bij mestonderzoek wordt werkelijk geteld hoeveel wormeitjes zich in de mest van uw paard bevinden. Een kleine hoeveelheid mest wordt afgewogen en opgelost in een afgemeten hoeveelheid vloeistof. Een gedeelte van deze oplossing wordt in een telkamer gebracht en de aanwezige wormeitjes worden onder de microscoop geteld. De uitslag wordt uitgedrukt als het aantal wormeitjes per gram mest: EPG. De uitslag geeft een goede indicatie hoe hoog de wormei-uitscheiding bij uw paard is.  

Mestonderzoek geeft zeer bruikbare informatie over uw paard. De meest praktische toepassing is om te bepalen of uw paard nu wel of niet ontwormd moet worden. Als van alle paarden in een groep apart een mestonderzoek wordt uitgevoerd, zal slechts een gedeelte van de paarden een positieve uitslag hebben. Door een aantal maal per jaar een mestonderzoek uit te laten voeren, in combinatie met maatregelen die de infectiedruk verlagen (bijvoorbeeld weidemanagement), kan een evenwichtig wormbestrijdingsprogamma worden ontwikkeld waarin ontwormingsmiddelen niet onnodig worden toegepast.

U kunt op elk moment in het jaar beginnen met het mestonderzoek. Als uw paarden het hele jaar buiten lopen kunt u het eerste onderzoek plannen vanaf half maart, en dan dienen alleen de paarden die veel wormeitjes uitscheiden te worden behandeld. In de zomer (juni - augustus) wordt een tweede mestonderzoek uitgevoerd en worden weer alleen de paarden die een hoge EPG hebben ontwormd. In het najaar adviseren we een laatste mestonderzoek, maar afhankelijk van de infectiedruk en uw wensen kunt u in de winter na onderzoek een breedspectrummiddel geven.

Infectieuze larven kunnen tot drie maanden overleven op een weide; in milde winters kunnen paarden dus tot laat in de winter geïnfecteerd raken. In de periode van september tot en met februari kunnen er geen betrouwbare eitellingen op de rode bloedworm (kleine strongylide) worden gedaan. De larven van deze worm gaan in augustus tot oktober in een ruststadium in de darmwand zitten en ontwikkelen zich pas in december - januari weer tot volwassen, ei-uitscheidende wormen. Maar uw paard kan wel besmet zijn met andere wormsoorten.

Na het eerste jaar van onderzoeken en behandelen is er vaak een tweedeling te maken in paarden die gedurende de hele onderzoeksperiode een lage ei-uitscheiding hebben gehad en paarden die steeds positief werden bemonsterd, ondanks herhaaldelijk behandelen. De laatsten hebben weinig weerstand tegen worminfecties en zij zullen regelmatig moeten worden onderzocht en behandeld. Bij de eerste groep kan worden volstaan met twee mestonderzoeken per jaar, eenmaal in het voorjaar en eenmaal in het najaar. Voorwaarde is wel dat de manier waarop de paarden worden gehouden niet is gewijzigd en zich geen extreme weersomstandigheden hebben voorgedaan.

Met welke wormen kan een paard besmet zijn?

  • Veulenworm (Strongyloides westeri)
  • Grote strongyliden (Strongylus vulgaris
  • Kleine strongyliden (Cyathostominae
  • Spoelworm (Parascaris equorum)
  • Aarsmade (Oxyuris equi)
  • Lintworm (Anaplocephala perfoliata)
  • Longworm (Dictyocaulis arnfieldii)

Veulenworm 

De larve van de veulenworm wordt door de merrie met de melk uitgescheiden. Het veulen wordt op deze manier gemakkelijk besmet. Ook kan een larve via de huid binnendringen en vervolgens een trektocht door het lichaam maken. De met de melk opgenomen, besmettelijke larven, worden in het lichaam van het veulen snel volwassen. Zo kan een besmet veulen al tien dagen na de besmetting eitjes in de mest uitscheiden. Na vier dagen ontstaan uit deze eitjes de besmettelijke larven. Deze kunnen weer door de huid heendringen en het veulen herbesmetten. Zestig procent van de Nederlandse veulens zijn geinfecteerd met de veulenworm. Besmette veulens hebben vaak diarree en koliek.

Grote strongyliden 

Grote strongyliden zijn twee tot vijf centimeter grote wormen, maar komen bijna niet voor. Strongylus vulgaris maakt een trektocht door het lichaam. De larve kruipt door de darmwand en komt in de wand van de bloedvaten terecht. Vooral in de wand van de darmslagader, maar ook in de andere slagaders kunnen de larven ernstige beschadigingen veroorzaken. Uiteindelijk kruipen de larven weer naar de darmen, worden daar volwassen en leggen eitjes die met de mest in de buitenwereld terecht komen. Besmette paarden hebben diarree en soms koliek. Ze worden mager en hebben een doffe vacht. De eetlust is verminderd en ze kunnen koorts hebben. Ook kreupelheid en verlammingen kunnen het gevolg zijn van de beschadigingen die de larven in de slagaders veroorzaakt hebben.

Kleine strongyliden 

De larven van deze kleinere worm kunnen na opname in het darmslijmvlies in een ruststadium overgaan. In deze “winterslaap” kunnen ze wel twee jaar aanwezig blijven. In de rustfase zijn de larven ongevoelig voor de meeste wormmiddelen. In de winter en het vroege voorjaar komen de larven massaal uit de darmwand. Larven van deze kleine strongyliden zie je in deze periodes als kleine rode wormpjes van ongeveer twee tot vijf cm groot. Bij een ernstige besmetting zijn de gevolgen voor het paard groot. Vermageren, diarree, koliek en soms een zwelling van de onderborst kunnen dan optreden. In ernstige gevallen kan een paard aan de besmetting bezwijken. Deze infectie, ook wel cyathostominose genaamd, is eigenlijk de belangrijkste besmetting van onze paarden. Allereerst kunnen de gevolgen van een besmetting zeer ernstig zijn en daarnaast vraagt de preventie een gedegen en goed georganiseerde aanpak. Op plaatsen waar meerdere paarden bij elkaar gehouden worden kan dit het best overlegd worden met de dierenarts. Voor vragen kunt u contact opnemen.

Spoelwormen

De spoelworm kan wel vijftig centimeter lang worden. Vooral paarden tot een leeftijd van één jaar hebben last van deze worm. Na opname van het ei ontstaat hieruit de larve, die een trektocht maakt door het lichaam, waaronder de lever en de longen. In de longen worden de larven opgehoest en doorgeslikt, waarna zij in de darm terechtkomen en volwassen worden. Bij besmette veulens kan men een ruw haarkleed en een dikke buik zien. Ze groeien slecht en zijn snel moe. De eetlust kan verminderd zijn. Bij ernstige besmetting is het veulen sloom en wordt mager. Sommige veulens beginnen te hoesten en hebben last van neusuitvloeiiing. Als er zeer veel wormen aanwezig zijn, kan dat een verstopping van de darmen veroorzaken. Soms kan de darm zelfs scheuren, waardoor het veulen zal sterven.

Aarsmade

De aarsworm leeft in het achterste gedeelte van de darm van het paard. De wormen leggen eitjes rondom de anus. Wel achtduizend tot zestigduizend stuks. Dit veroorzaakt jeuk, waardoor het paard met zijn achterste tegen hekken en planken schuurt. De haren van de staart kunnen hierdoor afgebroken worden.

Lintworm

De lintworm leeft in de dunne en de blinde darm van het paard. De meeste infecties verlopen symptoomloos. Besmetting met deze worm kan koliek veroorzaken. Vaak zijn deze gevallen van koliek zeer ernstig. Bij besmetting met deze worm kunnen soms witte, platte wormen van ongeveer drie tot vier cm lang in de ontlasting worden gezien. 

Longworm

Deze worm komt vooral voor bij ezels. De ezel heeft zelf zelden last van de besmetting. Worden paarden samen met ezels gehouden of geweid op land waar kort tevoren ezels hebben gelopen, kan het paard besmet worden. Een paard met een longwormbesmetting heeft een hardnekkige, droge hoest en een verminderde eetlust. De longen zijn aangetast door de wormen, waardoor het paard dampig kan worden.

Paardenhorzel

De paardenhorzel is geen worm, maar wel een inwendige parasiet van het paard. Het is een vlieg (Gastrophilus spp.) die vanaf mei, maar vooral tussen augustus en oktober voor onrust onder de paarden kan zorgen. De vlieg legt zijn eitjes op de vacht van het paard (met name op de onderbenen). Door likken neemt het paard vanaf de benen eitjes op. De ontwikkeling van de eitjes tot larven vindt plaats in de mondholte, dit duurt een paar weken. De larven komen in de maag van het paard terecht. Ze blijven daar meer dan een half jaar aanwezig en worden dan met de mest mee naar buiten gebracht. Via een popstadium ontstaat weer een nieuwe vlieg. De larven van de paardenhorzel kunnen maagbeschadigingen en vermagering veroorzaken. De eetlust kan verminderd zijn en de besmette paarden kunnen vaak gapen, maar de meeste infecties verlopen symptoomloos.

Behandeling en preventie 

Besmetting is te voorkomen of te verminderen door:

  1. Niet teveel paarden tegelijk te weiden
  2. De weiden regelmatig te maaien
  3. De mest regelmatig uit de wei te halen (minimaal twee keer per week)
  4. Boxen van de paarden regelmatig te reinigen. 

Ontwormen 

Ontwormingsmiddelen worden tegenwoordig niet zomaar meer afgegeven. Eerst dient er mestonderzoek  plaats te vinden, om te voorkomen dat er resistentie tegen de gebruikte middelen kan ontstaan.

Bij mestonderzoek wordt werkelijk geteld hoeveel wormeitjes zich in de mest van uw paard bevinden. Een kleine hoeveelheid mest wordt afgewogen en opgelost in een afgemeten hoeveelheid vloeistof. Een gedeelte van deze oplossing wordt in een telkamer gebracht en de aanwezige wormeitjes worden onder de microscoop geteld. De uitslag wordt uitgedrukt als het aantal worm eitjes per gram mest: EPG. De uitslag geeft een goede indicatie hoe hoog de wormei-uitscheiding bij uw paard is.  

Mestonderzoek geeft zeer bruikbare informatie over uw paard. De meest praktische toepassing is om te bepalen of uw paard nu wel of niet ontwormd moet worden. Als van alle paarden in een groep apart een mestonderzoek wordt uitgevoerd, zal slechts een gedeelte van de paarden een positieve uitslag hebben. Door een aantal maal per jaar een mestonderzoek uit te laten voeren, in combinatie met maatregelen die de infectiedruk verlagen (bijvoorbeeld weidemanagement), kan een evenwichtig wormbestrijdingsprogamma worden ontwikkeld waarin ontwormingsmiddelen niet onnodig worden toegepast.

Het mestonderzoek kan het hele jaar door worden gedaan. Echter, in de periode van september tot en met februari zullen er geen betrouwbare eitellingen op de rode bloedworm (kleine strongyliden) kunnen worden gedaan.

Kreupelheid

In het wild lopen paarden op onbeslagen hoeven maar wanneer paarden zware lasten moeten dragen en wanneer zij veel over verharde wegen moeten lopen zijn wegens overmatige slijtage hoefijzers noodzakelijk. Het bekappen en vervolgens beslaan van de hoeven is tevens een methode om de stand van de voeten te corrigeren.

Bij pijn aan een been spreken we van kreupelheid. Kreupelheid kan het beste in draf worden geconstateerd. Bij pijn aan een voorbeen 'knikt' het paard met hoofd en hals: het dier 'valt' op het gezonde been, in een poging het pijnlijke been zoveel mogelijk te ontlasten. Bij pijn aan een achterbeen houdt het dier het bekken scheef. Van achter is de pijnlijke helft van het bekken het laagste, omdat het dier zo weinig mogelijk op die voet steunt. Het hoort tot de mogelijkheden, dat het dier aan twee voorbenen of twee achterbenen tegelijkertijd pijn heeft, dan is het oog van een deskundige hard nodig. Bij bijvoorbeeld hoefbevangenheid kan een dier aan alle vier benen pijn hebben.

OCD

Een vorm van kreupelheid die de laatste jaren relatief veel voor komt wordt OCD genoemd: osteochondrose dissecans (latijn voor loslatend kraakbeen). OCD kan ontstaan bij een verstoring van de omvorming van kraakbeen naar bot. Op een bepaalde plaats wordt de laag kraakbeen steeds dikker. Door deze verdikking is de voeding vanuit het gewrichtssmeer niet meer goed mogelijk. De 'aanvoerroute' is te lang. Hierdoor neemt de kwaliteit van het kraakbeen in deze te dikke lagen af. Hierdoor ontstaat minder goed kraakbeen: kraakbeen met scheurtjes. Bij bijv. overbelasting, een beschadiging e.d laten er daadwerkelijk stukjes kraakbeen of bot los. Men noemt deze losse stukjes wel "gewrichtsmuizen" - die door het gewricht gaan zwerven, ingeklemd raken en nog meer beschadiging geven. Daarnaast is de plek waar de "muis" vandaan komt ruw in plaats van glad. Tevens komen uit de afbraakplek van de "muis" stoffen vrij die de productie van teveel en te dun gewrichtssmeer veroorzaken. Het gewricht dat is aangedaan (vaak de knie en de enkel/ het spronggewricht) wordt dik en de smering wordt minder waardoor er arthrose kan ontstaan. Daar waar het kraakbeen verdwenen is kan nu gewrichtssmeer in het onderliggende bot dringen met botoplossing tot gevolg, op de röntgenfoto te zien als cysten in het bot.

Afhankelijk van de mate van de aandoening kan de behandeling bestaan uit een combinatie van de volgende maatregelen:

  • Rustperiode
  • Bewegingsadvies
  • NSAID voor ontstekingsremming en pijnstilling
  • Gewrichtsinjecties met corticosteroiden
  • Chirurgie; verwijdering van de losse fragmenten en eventueel curettage van de defecten

Hoefbevangenheid

In de hoef van het paard vormt de hoeflederhuid de verbinding tussen de hoefschoen en het hoefbeen. Het paard hangt als het ware in zijn eigen hoeven aan deze hoeflederhuid. Aan de onderzijde van de hoef is deze verbinding zichtbaar als de 'witte' lijn.

Hoefbevangenheid is een ontsteking van de hoeflederhuid. Door de ontsteking ontstaat een pijnlijke vochtophoping tussen de hoefschoen en het hoefbeen, waardoor deze verbinding loslaat. Wanneer de ontsteking zich uitbreidt en de verbinding over een groter gedeelte loslaat kan het hoefbeen gaan kantelen ten opzichte  van de hoefschoen en naar beneden zakken richting de zool.

Hoefbevangenheid kan door allerlei processen die de bloed- en/of zuurstofvoorziening naar de ondervoet verminderen veroorzaakt worden. Het ontstaat acuut en meestal aan de voorvoeten. Het paard heeft veel pijn, vooral in het toongedeelte van de voet en probeert dit te ontlasten. Meestal wil het paard niet meer lopen en gaat in een typische houding staan met de voorbenen naar voren gestoken.  Door de ontsteking kan de hoef warm en pijnlijk zijn en kan door toename van de bloedstroom het aanvoerende bloedvat sterker dan normaal pulseren. Bij afnemen van het ijzer of bij bekappen kan een verbrede witte lijn te zien zijn.

Behandeling van acute hoefbevangenheid bestaat uit absolute rust en rantsoenaanpassing (alleen water en hooi). Verder toediening van een ontstekingsremmer en eventueel een bloedverdunner.

Het paard op nat zand zetten of natte verbanden aanleggen ter ondersteuning van de zool, koelen van de hoef en verzachten van het hoefhoorn. Ijzers verwijderen, toongedeelte van de hoef inkorten en eventueel de hoefwand verdunnen.

Belangrijk bij de vervolgbehandeling na de acute fase zijn een goede hoefverzorging, aangepaste bewegingen het voorkomen van overgewicht door voeding met een laag eiwit- en koolhydraatgehalte te geven alsmede beperkte weidegang.

Afhankelijk van de mate van kanteling (en zakken) van het hoefbeen wordt met een NSAID de pijn weggenomen en het opflikkeren van ontsteking voorkomen.

Contactinformatie praktijk

Dierenkliniek De Rijp

Terug
  • Ma
    8.30 - 17.00 uur
  • Di
    8.30 - 17.00 uur
  • Wo
    8.30 - 17.00 uur
  • Do
    8.30 - 17.00 uur
  • Vrij
    8.30 - 17.00 uur
  • Za
    Gesloten
  • Zo
    Gesloten
Terug

Vind ons hier:

Schoener 2 1483 TP De Rijp Inloopspreekuur: ma, wo, vr: 14.00 - 14.30 en 18.30 - 19.00
ontvang een routebeschrijving via Google Maps