Menu
  • Bel ons:0299 - 671 366
  • Buiten openingstijden0299 - 671 366

I.v.m. de verspreiding van het Coronavirus is ons beleid tijdelijk aangepast. Lees meer hierover op onze homepagina.

Honden

Honden

Als eigenaar moet u aan veel denken als het gaat om de gezondheid van uw hond. We bespreken de belangrijkste onderwerpen hieronder. Heeft u vragen over een van deze of andere onderwerpen? Neem dan gerust contact op met de praktijk.

Vaccinaties

Waarschijnlijk heeft uw puppy bij de fokker al een ‘puppy-cocktail’ (minimaal hondenziekte en Parvo) gehad op zes weken leeftijd. De volgende vaccinatie (Parvo, ziekte van Weil en para-influenza) vindt plaats op de leeftijd van negen weken. Daarna heeft uw puppy nog een vaccinatie nodig op twaalf weken leeftijd: de 'grotehondencocktail’ (hondenziekte, Parvo, ziekte van Weil, besmettelijke leverziekte (hepatitis) en para-influenza).

Een volwassen hond heeft ook elk jaar een vaccinatie nodig om zijn immuunsysteem alert te houden. Sommige onderdelen van de ‘grote cocktail’ bieden langdurige bescherming en zijn niet noodzakelijk om elk jaar te herhalen. Dus krijgt uw hond afhankelijk van wat nodig is de ‘grote cocktail’ of de ‘kleine cocktail’ (para-influenza en ziekte van Weil). 

Kennelhoest

Naast de cocktailvaccinatie, wordt er veel zorg besteed aan vaccinatie op maat. Indien uw hond een groter risico loopt op kennelhoest, dan is het verstandig uw hond hier extra tegen te beschermen. Bijvoorbeeld wanneer uw hond in een pension moet logeren, een hondenshow gaat bezoeken of met de hondenuitlaatservice meegaat. Sommige van deze instellingen stellen een kennelhoestvaccinatie zelfs verplicht.

Ziekte van Weil

Als uw hond veel zwemt en/of veel contact heeft met ratten, loopt hij het hele jaar door een extra risico op de ziekte van Weil. Daarom is het verstandig uw hond elk jaar te beschermen tegen de ziekte van Weil.

Buitenland

Indien u met uw hond naar het buitenland gaat, is het volgens de wet verplicht dat uw hond gevaccineerd moet zijn tegen hondsdolheid (rabiës). Uw hond moet wel ouder zijn dan drie maanden. Deze vaccinatie moet minstens drie weken voor vertrek gegeven worden. Voor sommige landen gelden uitzonderlijke regels en wordt er bijvoorbeeld vooraf bloedonderzoek geëist. Vraag aan de assistente wat de specifieke eisen zijn voor uw vakantieland.

Chippen

Jaarlijks lopen in Nederland honderden katten, honden en andere huisdieren weg. Een groot deel daarvan, vooral katten, vindt de weg naar huis nooit meer terug. Veel van deze dieren komen via de dierenambulance in asielen terecht. Voor dieren die niet zijn geïdentificeerd en niet in een databank zijn geregistreerd is het vrijwel onmogelijk de eigenaren te vinden! Een halsbandje met een adreskokertje lijkt een goede oplossing, maar helaas kan dit relatief gemakkelijk verloren gaan.

Tegenwoordig is er een unieke identificatie methode: de elektronische chip. Met een chip is uw huisdier altijd te herkennen, want iedere chip heeft een eigen, unieke code. De chip is kleiner dan een eurocent.

Elektronische identificatie voor gezelschapsdieren heeft grote voordelen.

Genoemd kunnen worden:

  • Wereldwijd unieke identificatiecode
  • Diervriendelijk
  • Eenvoudig in het gebruik
  • Geschikt voor vrijwel alle diersoorten
  • Kan al op jonge leeftijd worden toegepast
  • Niet zichtbaar
  • Onbeperkte levensduur van de chip, daardoor levenslange identificatie
  • Fraudebestendig: de code kan nooit worden gewist of veranderd

De code van de chip kan met een afleesapparaat (“reader”) worden afgelezen. De chip zelf doet niets; er zit geen batterijtje of andere energiebron in. Uw huisdier zal het niet merken dat hij of zij een chip draagt! Pas op het moment dat er een afleesapparaat in de buurt van de chip komt, gebeurt er iets. Het afleesapparaat geeft een onschadelijk signaal af. De chip wordt actief en antwoordt met de identificatiecode van het betreffende dier. Invloeden van buitenaf hebben overigens absoluut geen effect op de chip!

Registreren

Nadat uw huisdier door de dierenarts van een chip is voorzien moet het dier nog geregistreerd worden. Uw dierenarts vult daarvoor een formulier in en u stuurt dit op naar een databank, zoals de Stichting Nederlandse Databank Gezelschapsdieren, de NDG. De Nederlandse Databank Gezelschapsdieren is een databank die mede is opgericht op initiatief van de Koninklijke Nederlands Maatschappij voor Diergeneeskunde en is een stichting zonder winstoogmerk. De NDG gebruikt de geregistreerde gegevens enkel voor het doel waarvoor de databank is opgericht. Na betaling van een relatief klein bedrag staat uw huisdier voor de rest van zijn leven geregistreerd. Na inschrijving ontvangt u een handig registratiecertificaat en een mutatieformulier waarmee u adreswijzigingen kunt opgeven. Bijna één miljoen huisdieren staan inmiddels bij de NDG geregistreerd.

Controleren

Na ongeveer twee weken zijn uw gegevens ingevoerd in de databank en kunt u via internet heel gemakkelijk nagaan of de registratie heeft plaatsgevonden. Dat kan natuurlijk via de website van de NDG, maar ook via de website www.chipnummer.nl die speciaal voor dat doel is opgezet. De NDG is direct aangesloten bij de Europese overkoepelende databank, het European Pet Network, kortweg EPN, zodat uw dierbare huisgenoot ook weer bij u thuis kan komen als hij of zij zich in het buitenland bevindt!

Ontwormen

Zoals ongetwijfeld bekend is komen er zowel bij hond als kat worminfecties voor. Niet alleen jonge dieren kunnen besmet raken, maar ook bij oudere dieren komen worminfecties voor. Normaal zijn in Nederland maar drie wormsoorten van belang bij hond en kat: lintworm, spoelworm en Giardia. Voor het buitenland speelt de hartworm nog een belangrijke rol.

De spoelworm

De spoelworm (Toxocara) is de meest voorkomende worm. De spoelworm is te herkennen aan de lange, dunne, ronde wormen of de vermicelli-achtige vorm. Spoelwormen hebben geen tussengastheer nodig. Ze worden ook via de melk op pups en kittens overgedragen. Dit leidt ertoe dat bijna alle honden en katten in meer of mindere mate met spoelwormen besmet zijn. De moeder van uw huisdier is in haar leven al eens in aanraking geweest met een spoelworm. De kans is groot, ook al is ze altijd goed ontwormd, dat ze toch een paar larven in haar lichaam heeft. Deze zijn in rust aanwezig in het lichaam en daarom ziet u ze vaak niet en merkt het dier er ook niets van. Zodra het dier echter drachtig is, worden de larven actief. Op deze manier worden pups en kittens al voor hun geboorte besmet met wormen. Daarom is het ook zo belangrijk om pups en kittens al zo vroeg goed te ontwormen. Ook kan uw dier buiten eitjes opsnuiven of oplikken.

Voor de mens bestaat ook een bepaald risico. Spoelwormen kunnen namelijk ook overgebracht worden op mensen. Dat gebeurt vooral via de omgeving. U moet dan denken aan zandbakken, parken enz. Vooral kinderen lopen hier gevaar omdat zij vaak buiten spelen, zij moeten op hygienemaatregelen gewezen worden. 

De lintworm

Lintwormen bij de hond en de kat zijn te herkennen aan hun platte en witte uiterlijk. Soms kunt u zien dat, als ze net uit de anus zijn gekropen, deze witte lintwormsegmentjes nog bewegen. Ze zijn dan ca. 1 tot 1 1/2 cm lang. 
Na enige tijd aan de buitenlucht te hebben blootgestaan verschrompelen ze tot de grootte van een rijstkorrel of een komkommerpit, deze segmenten (delen) van de lintworm bevatten grote hoeveelheden lintwormeitjes. De eipakketten worden door uw huisdier overal in huis verloren en vaak kapot getrapt zodat de inhoud zich in de vloerbedekking kan verspreiden. 

De lintworm zelf is gemakkelijk en 100% afdoende te bestrijden met de inname van een of meerdere wormtabletten. Het grootste probleem is echter het voorkomen dat uw huisdier zich opnieuw besmet en dus na circa 4-6 weken opnieuw lintwormstukjes verliest. Van belang is het daarom te weten hoe uw huisdier (her)besmet raakt met lintwormen. De besmetting verloopt namelijk uitsluitend via de vlo. 

Giardia

Giardia is een flagellaat (= een protozoaire parasiet), een eencellig organisme, dat voorkomt in diverse ontwikkelingsstadia. Overdracht vindt plaats via de feacale-orale weg. Dit houdt in dat het dier de cysten uitpoept en dat een ander dier of mens zich hiermee door opname via de mond besmet.

Vaak verlopen Giardia infecties, bij gezonde dieren, zonder symptomen maar scheiden ze wel periodiek de besmettelijke cysten uit. Echter, bij honden met minder weerstand komt het wel tot ziekteverschijnselen. Vooral honden die in een asiel of pension verblijven kunnen gemakkelijk met Giardia besmet raken. Jonge honden en honden met een verminderde weerstand, bijvoorbeeld door ziekte of stress, kunnen diarree door giardia oplopen. Giardia geeft dunne ontlasting of brijachtige stinkende diarree. Er kan slijm en bloed bij zitten. De honden kunnen misselijk zijn en makkelijk overgeven, maar vaak behouden ze wel hun eetlust.

Hoe bestrijdt u een worminfectie? 

Heel belangrijk bij de bestrijding van wormen is een goed ontwormingsschema. In het onderstaande schema kunt u zien, wanneer u uw dier het beste kunt ontwormen.

Ontwormingsschema 
Pups Ontwormen op 2, 4, 6, en 8 weken leeftijd, daarna iedere maand totdat ze een half jaar oud zijn.
Kittens Ontwormen op 6, 8, 10 en 12 weken, daarna iedere maand totdat ze een half jaar oud zijn.
Volwassen dieren 2 tot 4 keer per jaar ontwormen en natuurlijk als u wormen ziet.
Drachtige dieren 2 tot 4 keer per jaar ontwormen en natuurlijk als u wormen ziet.

 

Ontworm alle dieren in huis tegelijk om herbesmetting te voorkomen. Zorg ook voor een goede vlooienbestrijding van dier én huis. Op deze manier voorkomt u een lintwormbesmetting.

Vlooien en teken

Vlooien

Een veel voorkomend probleem bij huisdieren is de aanwezigheid van vlooien. De aanwezigheid van deze kleine bruine, zijdelings afgeplatte diertjes leidt vaak tot heftige jeuk en krabben bij uw huisdier. Het is niet altijd even makkelijk om een vlooienbesmetting vast te stellen. Vooral bij dichtbehaarde of langharige dieren zijn deze kleine, vlugge insecten moeilijk te vinden. Bovendien leven vlooien niet op dieren, ze eten er alleen maar. Nadat ze hun buik vol hebben verdwijnen ze snel naar de leefomgeving van uw huisdier. Helaas is dit in de meeste gevallen uw huis!

Uit onderzoek is gebleken dat 99% van de vlooien in de omgeving zitten en slechts 1% op uw huisdier. De vlo die u bij uw dier ziet is dus het topje van de ijsberg! U kunt daarom beter uitkijken naar de aanwezigheid van "vlooienpoepjes": kleine zwartbruine korreltjes die zich tussen de haren bevinden.

Tip

Een test of dit zwartbruine goedje poep of aarde is, is de volgende proef: leg wat van de poepjes op een witte tissue en druppel er een paar druppels water op: vlooienpoep kleurt het papieren velletje bruinrood, het is zoogdierenbloed, opgezogen en deels verteerd door de vlo!

Nadat een vlo een bloedmaaltijd bij de hond heeft genomen, plant ze zich voort en legt eitjes, tot wel 50 eitjes per dag. De vlooieneitjes belanden vooral op plaatsen waar de hond vaak ligt. Na enkele weken komen er vlooienlarfjes uit. Deze larfjes voeden zich onder andere met huidschilfers en verpoppen vervolgens.
Het popstadium kan maanden duren, maar uiteindelijk komt er een nieuwe vlo uit en begint de cyclus opnieuw. Vroeger vermenigvuldigden vlooien zich vooral in de zomer explosief, maar tegenwoordig weten ze zich in onze goed verwarmde huizen het hele jaar door te handhaven en soms ware vlooienplagen te veroorzaken.

Soms veroorzaken vlooien bij de hond alleen wat irritatie, maar als een hond vaak gebeten wordt kan dat, zeker bij een pup, tot ernstige bloedarmoede leiden. Ook kunnen vlooien lintworminfecties overbrengen. Veel honden zijn allergisch voor het speeksel van de vlo en kunnen daardoor allergische huidziekten ontwikkelen die met veel jeuk gepaard gaan.

Bij de verzorging van de hond hoort daarom ook een goede vlooienbestrijding. De kliniek beschikt over de nieuwste middelen hiervoor, zowel middelen die de vlooien doden als middelen die de eitjes en larven en de omgeving van de hond aanpakken. Daarnaast zijn ze veilig voor het dier zelf en voor de mens, makkelijk toe te passen, waterbestendig en milieuvriendelijk.
 
In overleg met u adviseren wij u graag welke middelen het meest geschikt zijn voor uw hond. Door een juiste vlooienbestrijding kunnen veel huidproblemen voorkomen worden. Heeft uw hond desondanks veel jeuk of huidklachten, dan is nader onderzoek door de dierenarts aan te bevelen. Mogelijk moeten de gevolgen van een vlooienallergie worden bestreden of is er sprake van een huidaandoening die niet door vlooien worden veroorzaakt.

Teken

Honden komen graag buiten en lopen dan nogal eens onder struiken door, waar ze zich kunnen besmetten met teken. Dit zijn kleine bruingrijze parasieten van 1-3 mm groot die zich vastbijten in de huid van de hond en zich daar volzuigen met bloed. Na een dag of vijf zijn ze verzadigd en wel één cm groot en laten ze los. Teken komen voor van maart tot november.
Teken kunnen infecties en ontstekingen op de plaats van de beet veroorzaken, maar ze kunnen ook verschillende ziekten overbrengen, zoals de ziekte van Lyme. Komt de hond buiten, controleer dan de vacht dagelijks in de tekentijd. Vindt u maar enkele teken, dan kunt u die het beste zo snel mogelijk verwijderen. De kans op besmetting met eventuele ziektes is dan het kleinst. 
Verdoof de teek niet van tevoren, maar pak hem met een pincet of een tekentang zo dicht mogelijk op de huid en trek hem met een licht draaiende beweging uit de huid. Ontsmet daarna het wondje met betadinejodium. Zit de hond regelmatig vol met teken, dan is het veel werk om ze allemaal te verwijderen. Gebruik dan preventief een middel dat de teek zo snel mogelijk doodt. 

Castratie reu

Er zijn diverse redenen om een reu te castreren. Een reu loopt gemakkelijk weg wanneer hij eenmaal de geur van een loopse teef in de neus heeft gehad. Ook bij prostaatproblemen kan castratie een oplossing zijn.

Wanneer castreren? 

Een hond kan worden gecastreerd wanneer hij is uitgegroeid, afhankelijk van het ras is dit op een leeftijd tussen de 9 en 14 maanden. De operatie is vrij eenvoudig en normaal gesproken zal er weinig nazorg nodig zijn.

De prostaat

De meest voorkomende aandoening is een prostaathypertrofie of prostaathyperplasie (goedaardige prostaatvergroting), de zogenaamde "oude-mannen"-kwaal (het komt echter ook bij jonge honden voor). Het is een vergroting van de prostaat, welke vaak gepaard gaat met een lichte ontsteking. Tegen de kwaal is een injectie mogelijk met een hormoon dat de 'mannelijkheid' hooguit een paar maanden onderdrukt. Tegen de ontsteking wordt doorgaans een antibioticakuur gegeven. Meestal is dat voldoende. Helaas komt het probleem echter na verloop van tijd weer terug. Op de lange duur is castratie dus de beste behandeling.

Sterilisatie teef

De sterilisatie is de meest uitgevoerde operatie bij de teef. Ongeveer 30% van alle teven in Nederland is gesteriliseerd. De belangrijkste reden is natuurlijk de geboortebeperking (en dus het voorkomen van de loopsheid), maar er kunnen ook medische redenen zijn om een teef te steriliseren; bijvoorbeeld baarmoederontstekingen, een afwijking aan het bekken, telkens terugkerende schijnzwangerschappen en suikerziekte.

In feite is het niet juist om van sterilisatie te spreken. Met sterilisatie wordt een operatie bedoeld waarbij de patiënt onvruchtbaar gemaakt wordt door de eileider af te binden/door te knippen. Wanneer de eierstokken en soms ook de baarmoeder worden verwijderd, is het eigenlijk een castratie.

Techniek

Voor de operatie moet de teef nuchter zijn. De reden hiervoor is dat sommige dieren kunnen braken tijdens/na de narcose. Als er dan voedsel opgebraakt wordt en dit komt in de luchtpijp terecht, kan er een vervelende en moeilijk te behandelen longontsteking ontstaan. De hond wordt verdoofd, op haar rug gelegd en de buik wordt geschoren en ontsmet. De eigenlijke operatie begint; er wordt een snee in de buikwand gemaakt en de eierstokken worden opgezocht en verwijderd. Alles wordt goed afgehecht met speciaal oplosbaar hechtmateriaal en de buik wordt weer gesloten. Op de operatiewond komt een wondspray of pleister, de teef krijgt een injectie met een antibioticum en pijnstilling en kan nu rustig bijkomen.

Complicaties

Bij iedere operatie kunnen zich problemen voordoen, zo ook bij de sterilisatie. De ernstigste zijn nabloedingen van de baarmoederhalsspier of van de eierstokstomp. 

Daarom moet de hond altijd in de kliniek blijven tot zij goed uit de narcose is ontwaakt; in deze tijd wordt de hond regelmatig gecontroleerd.

Wondinfecties zijn een ander probleem. Ze worden meestal veroorzaakt doordat de hond aan de hechtingen of de wond heeft gelikt. Soms komt het voor dat de teef na de sterilisatie af en toe druppeltjes urine verliest. Dit is gelukkig goed te behandelen met medicijnen. Een gesteriliseerde teef loopt wat meer risico om te zwaar te worden. Het is daarom raadzaam om na de sterilisatie iets minder eten te geven en de eerste maanden het gewicht van uw hond goed in de gaten te houden.

Gedrag

Een veel gehoorde vraag is of het gedrag van de hond verandert door sterilisatie. Het antwoord is simpel: een gesteriliseerde hond gedraagt zich net zo als een niet gesteriliseerde hond tussen de loopsheden in.

Leeftijd

Het is een fabeltje dat het beter zou zijn dat teven eerst een nestje krijgen voordat ze worden gesteriliseerd. Gekeken naar de kans op melkklierkanker op latere leeftijd blijkt dat teven die gesteriliseerd zijn voor de vijfde loopsheid veel minder risico lopen. Ook baarmoederontstekingen komen natuurlijk niet voor bij gesteriliseerde dieren, hierdoor neemt de levensverwachting van een jong gesteriliseerde hond met ongeveer twee jaar toe. In de praktijk is het advies om teven te steriliseren vóór de eerste loopsheid op een leeftijd van ongeveer 12 - 15 maanden. De operatie is dan simpel en de herstelperiode zeer kort. Ook is het beter om de honden tussen de loopsheden in te steriliseren; de baarmoeder is dan het minst doorbloed, en hierdoor blijft het operatierisico beperkt.

Puppies

Pasgeboren pups

Gedurende de eerste weken van hun leven worden pups verzorgd door hun moeder. Ze zijn volledig afhankelijk. Ze kunnen zichzelf nog niet warm en schoon houden. De moederhond helpt ze om te ontlasten en te plassen.

Navelstreng

De navelstreng zal langzaam indrogen en het restje valt na vier tot zeven dagen af.

Drinken

Na de geboorte moeten de puppies direct gaan drinken. Ze zijn dan nog niet eens droog. Door het drinken worden weer weeën opgewekt en zal de geboorte verder gaan. De meeste pups kunnen de tepels goed vinden, maar soms hebben ze wat hulp nodig.

Tijdens de eerste twee dagen nemen pups antistoffen tegen verschillende ziekten op uit de moedermelk. Daarna kunnen de antistoffen niet meer door de darmen worden opgenomen, maar is de melk natuurlijk wel heel belangrijk voor de voedingsstoffen.

Pups drinken elke twee tot drie uur bij de moeder en moeder likt daarna hun achterste om ze te laten plassen en ontlasten.

Gedrag

Gezonde, tevreden pups slapen en drinken. Als ze piepend rondkruipen, duidt dit meestal op een probleem. Ze kunnen honger hebben, of het te warm of te koud hebben. Als de pups door de moeder niet warm gehouden worden biedt een warmtelamp uitkomst. De eerste vier tot vijf dagen is een temperatuur van rond de 26 tot 28 graden Celcius het beste, geleidelijk dalend tot 26 graden in de tweede week, 23 - 26 graden in de derde week en 23 graden in de vierde week.

Ook kan de teef vergeten ze te likken en ze zo dus niet helpen met plassen en ontlasten. Neem in dit geval ook contact op met uw dierenarts.

Ogen en oren

Tot een leeftijd van 10 –14 dagen oud kunnen puppies nog niet horen of zien. Als na deze periode de oogjes nog niet open zijn, de oogleden opzwellen of er komt viezigheid uit de ogen, neem dan contact op met uw dierenarts. In deze periode kunnen ze wel goed ruiken en contact met mensen is nu al belangrijk om ze te laten wennen. Pak ze echter niet te vaak op, rust is erg belangrijk in deze fase.

Gewicht

Pups moeten elke dag aankomen, de ene dag meer dan de andere keer. Pups met een laag geboortegewicht of pups die afvallen na de geboorte dienen extra in de gaten te worden gehouden. Het is daarom verstandig de pups meteen na de geboorte te wegen en na 12 uur nogmaals. Daarna kunt u de pups elke dag op hetzelfde tijdstip wegen. Na vier weken kunt u ze wekelijks gaan wegen. Noteer alle gewichten, zodat de groei goed kan worden gevolgd. Gemiddeld groeit een pup 1,6 tot 4 gram per 24 uur, per kilo van het te verwachten gewicht op volwassen leeftijd. Dus 1,6 gram voor een pup met een volwassen gewicht van 60 kilo en 4 gram voor een pup van 5 kilo. Het geboortegewicht van een pup varieert tussen 100-500 gram, afhankelijk van het ras. Een pup moet zijn geboortegewicht verdubbelen in acht tot tien dagen.

Bijvoeren met kunstmatige melk

Als de pups niet genoeg groeien, of zelfs afvallen moeten zij bijgevoerd worden met kunstmatige melk. De melk en andere benodigdheden zijn verkrijgbaar bij uw dierenarts. Op de verpakking staat hoeveel de pups voor hun leeftijd en gewicht mogen krijgen. 

Het bijvoeren van het complete nest is ook nodig als maar één of twee pups problemen hebben. De grotere pups zijn dan minder hongerig en er zal meer moedermelk voor de zwakkere pups overblijven.

De melk moet op lichaamstemperatuur gebracht worden (niet te heet!) en kan met een flesje met speen of met een spuitje gegeven worden. U kunt beginnen met twee keer per dag bij te voeren, maar als ze niet in gewicht toenemen moet dit naar vier keer per dag of vaker. Bij zeer kleine pups kan een insulinespuitje zonder naald worden gebruikt. De pups moeten zelf zuigen, dus nooit de zuiger indrukken, dan kunnen ze zich verslikken.  Melk kan dan in de longen terecht komen en hieraan kunnen ze sterven. Leg de pup tijdens het bijvoeren op de buik om verslikken te voorkomen.

Als de pups onverhoopt helemaal geen moedermelk meer drinken en er is geen pleegmoeder beschikbaar, dan moet vaker gevoerd worden. Dit is een intensieve bezigheid en gaat ’s nachts ook door. Dit kan voorkomen wanneer de moeder overleden is of omdat ze melkklierontsteking heeft en het niet toe laat wegens pijn. Uiteraard moet de moeder hiervoor behandeld worden.

Moederloze pups moeten in de eerste week minimaal acht maal daags, dus om de drie uur gevoerd worden.

Na drie weken hoeft minder vaak gevoerd te worden. Naast moedermelk gaan ze dan ook vast voedsel eten. Geef hiervoor een papje van puppyvoedsel met kunstmatige melk van goede kwaliteit. Na het voeren kunt u het gebied rond de anus masseren om poepen en plassen te stimuleren.

Puppies die met de hand worden grootgebracht, groeien vaak minder snel dan jongen die bij de moeder blijven.

De dagelijks benodigde vochtbehoefte is 20 tot 25% van het lichaamsgewicht.

Melkkliergezwellen

Melkkliergezwellen zijn de meest voorkomende soort van gezwellen bij de hond. Ze kunnen zowel goed- als kwaadaardig zijn. 

Voorkomen

De aandoening komt uitsluitend bij teven voor. De dieren zijn vaak van middelbare leeftijd (+/- 7 jaar) als de eerste knobbeltjes ontstaan. Honden die jong gesteriliseerd zijn, dat wil zeggen voor de tweede loopsheid, lopen veel minder risico. Dieren die veel met antiloopsheidpreparaten (prikpil bijvoorbeeld) behandeld zijn, hebben meer kans op problemen. Het maakt geen verschil of de teven jongen gehad hebben.

Oorzaak

De oorzaak is, zoals bij ieder gezwel, een ontsporing van de normale celgroei. De groei van cellen wordt door het lichaam strak in de hand gehouden. Bij tumoren gaat de groei ongeremd door, met alle gevolgen van dien. Dat hormonen bij het ontstaan van melkkliergezwellen een belangrijke rol spelen, blijkt uit het feit dat jong gesteriliseerde teven bijna nooit gezwellen krijgen, terwijl niet-gesteriliseerde dieren vaak tumoren ontwikkelen. Het geven van extra hormonen (antiloopsheidmiddelen) doet het risico toenemen.

Diagnose

Het is niet zo moeilijk om vast te stellen of een dier gezwellen in de melkklieren heeft. Onder de buik zijn dan in de buurt van de tepels, onderhuidse knobbels voelbaar. Het is helaas niet mogelijk om aan de buitenkant te zien of een knobbel goed- of kwaadaardig is. Een extra probleem is dat melkkliergezwellen goedaardig kunnen beginnen maar later toch kwaadaardig worden. Bij het onderzoek wordt gelet op de grootte, plaats, aantal en verplaatsbaarheid van de knobbels. Het is mogelijk om door het wegnemen en laten onderzoeken van een stukje weefsel, vast te stellen om wat voor soort gezwel het gaat.

Tandheelkunde

In de dierenartsenpraktijk worden tandheelkundige behandelingen bij gezelschapsdieren steeds belangrijker. Honden en katten worden op het spreekuur aangeboden met klachten als stinken uit de bek, pijn en/of zwellingen. Oorzaken hiervan kunnen onder andere zijn:

  • Tandvleesontsteking, veroorzaakt door tandplaquebacteriën
  • Onvoldoende mondhygiëne, door achterblijvende voedselresten
  • Afwijkingen van het mondslijmvlies, de tong, de lipplooien
  • Doorbraakproblemen bij het wisselen
  • Andere oorzaken zoals een kaakfractuur, maagdarmaandoeningen

Tandsteen wordt hier bewust niet genoemd, omdat het niet de oorzaak is van bovengenoemde klachten. Door een onvoldoende zelfreinigende werking in de mondholte ontstaat een teveel aan tandplaque. Tandplaque is een wittige, vrij gemakkelijk afschraapbare bacterielaag die voorkomt op tanden en kiezen die niet regelmatig worden gereinigd. Wanneer tandplaque langer blijft zitten ontstaat er tandsteen, doordat er langzaam calciumfosfaten worden gevormd. Tandsteen is dus verkalkte tandplaque.

Tandplaque kan op twee manieren schade toebrengen aan het gebit. Door ophoping van de tandplaque raakt het tandvlees ontstoken, wat uiteindelijk kan leiden tot verlies van tanden en kiezen. Daarnaast kunnen gaatjes in de gebitselementen ontstaan (cariës, dit komt bij honden weinig en bij katten zelden voor).

Wanneer een hond of kat met klachten wordt aangeboden op het spreekuur dan worden eerst de mondholte en het gebit door de dierenarts onderzocht. Er wordt onder andere gekeken naar het mondslijmvlies, de tong, het gehemelte en het tandvlees. Daarna wordt in overleg met de klant een behandeling ingesteld. Deze behandeling kan uit enkel een goede instructie en begeleiding van de mondhygiëne, tot aan een professionele gebitsreiniging bestaan. Afhankelijk van de behandeling kan de nazorg het geven van een antibioticakuur zijn, om de ontsteking te bestrijden. Om dan het gebit in goede conditie te houden volgt een periodieke controle (meestal gelijk met de entingen).

Suikerziekte

Suikerziekte

Bij suikerziekte of diabetes blijft er teveel glucose (suiker) achter in het bloed.

Bij de vertering van voedsel wordt er onder andere glucose gevormd, dat voor het lichaam nodig is als bouwsteen en als brandstof. Na een maaltijd stijgt dus de hoeveelheid glucose in het bloed. De spier- en vetcellen nemen glucose uit het bloed op als ze daartoe worden aangezet door het hormoon insuline. Insuline wordt gemaakt in de alvleesklier en het zorgt ervoor dat de hoeveelheid glucose in het bloed tussen bepaalde grenswaarden blijft.

Er kan door verschillende oorzaken een tekort aan insuline ontstaan. In sommige gevallen breekt het afweersysteem van het lichaam de cellen in de alvleesklier af die voor de afgifte van insuline zorgen. Bepaalde ziekten (syndroom van Cushing) of behandelingen met bepaalde medicijnen kunnen ook leiden tot het ontstaan van suikerziekte.

Suikerziekte komt vaker voor bij teven dan bij reuen. Gedurende een periode van acht tot tien weken geven de eierstokken na de loopsheid het hormoon progesteron af, wat kan leiden tot een verhoogde productie van groeihormoon. Dit groeihormoon gaat de werking van insuline tegen. Als daardoor suikerziekte ontstaat, dienen de eierstokken zo snel mogelijk te worden weggenomen. Doordat de verhoogde groeihormoonproductie dan stopt, is er een kans dat de alvleesklier nog voldoende insuline kan produceren om de suikerziekte weer te laten verdwijnen.

Verschijnselen

In eerste instantie zal de hond veel gaan drinken en plassen. Omdat er veel glucose in het bloed zit, zal dit via de nieren met de urine verloren gaan. De glucose in de urine trekt extra vocht mee waardoor de hond meer gaat plassen, en vervolgens gaat de behoefte aan water omhoog. Glucose is een belangrijke brandstof waar de hond nu niets mee kan; de voedselbehoefte zal omhoog gaan maar ondanks dat de hond meer zal gaan eten, zal hij toch gewicht gaan verliezen. Als de hond niet wordt behandeld, wordt hij ernstig ziek.

Diagnose

De verschijnselen van suikerziekte kunnen ook bij andere ziekten voorkomen. De diagnose suikerziekte wordt gesteld wanneer niet alleen de urine maar ook het bloed een te hoog suikergehalte heeft.

Behandeling

Suikerziekte wordt veroorzaakt door een tekort aan insuline. Daarom moet dit tekort worden aangevuld. Dit gebeurt met een insuline-injectie; tweemaal daags op vaste tijdstippen. Omdat niet precies bekend is hoe groot het insulinetekort bij de hond is, moet eerst de juiste dosering worden vastgesteld. Aan de hand van het lichaamsgewicht wordt een begindosering berekend. Door op vaste tijden na de insulinetoediening het bloedglucosegehalte te meten kan de dierenarts zien of de dosis moet worden bijgesteld. Dit betekent dat het bloedglucosegehalte regelmatig moet worden gecontroleerd. Regelmaat in de voeding en de hoeveelheid lichaamsbeweging is heel belangrijk, omdat de insulinegift is afgestemd op de hoeveelheid glucose die de hond per dag nodig heeft.

Vooruitzichten en mogelijke complicatie

Een hond met een regelmatig leefpatroon en een juiste behandeling met insuline kan een vrijwel normaal leven leiden.

De belangrijkste complicatie van de behandeling van een suikerziektepatiënt is het ontstaan van een te laag bloedsuikergehalte (hypoglycemie). Als er meer insuline wordt toegediend dan er nodig is, kan het bloedsuikergehalte te laag worden. De hersenen kunnen dan een tekort aan brandstof krijgen; een levensbedreigende situatie. Daarom is het belangrijk de verschijnselen te herkennen. Een hond met een te laag bloedsuikergehalte kan onrustig of juist sloom zijn, en op onverwachte tijden honger hebben. In een verder stadium begint de hond te rillen of maakt vreemde bewegingen (omvallen, met de poten trappelen). Uiteindelijk valt de hond in een diepe slaap waaruit hij niet of nauwelijks wakker te maken is. Als deze situatie al voorkomt, gebeurt het meestal 3 tot 7 uur na de insulinegift. Als de hond nog in staat is om te eten dan moet direct een maaltijd worden gegeven. In het geval dat de hond niet meer kan eten, dient u (een oplossing van) 1 gram druivensuiker per kg gewicht in de wangzak te geven (poeder op en onder de tong wrijven). Neem daarna direct contact op met de dierenarts.

Euthanasie

Euthanasie, een vervelend onderwerp. Hier volgt wat informatie om u te helpen met deze vaak moeilijke beslissing.

Wanneer euthanasie?

Het is belangrijk te weten of het dier blijvende pijn heeft die met medicijnen niet te verhelpen is en of hij of zij nog een dierwaardig leven kan leiden.

Hoe gaat een euthanasie?

Uw huisdier kan zowel thuis als op de praktijk inslapen. Het voordeel op de praktijk is dat uw dier enigszins onder de indruk is en niet op zijn/haar eigen terrein is waardoor hij of zij makkelijker te ‘helpen’ is. ‘Thuis’ wordt, vooral door honden, gezien als het terrein dat altijd verdedigd moet worden en waar ze nu vaak tegen hun wil in, door ons moeten worden vastgehouden.

In de voorbereidende fase van de euthanasie wordt het dier eerst min of meer rustig gemaakt met een verdovend middel. Wanneer het dier niets meer voelt en dus niet meer door heeft wat er gebeurt, wordt het tweede prikje gegeven en slaapt hij of zij rustig in. In de meeste gevallen wordt de injectie bij de hond in een bloedvat van de voorpoot gespoten. Katten, konijnen en overige kleine dieren krijgen een verdovend middel in de buikholte gespoten.

Wat gebeurt er met het lichaam?

Er zijn een aantal mogelijkheden: u kunt, indien dit door de gemeente wordt toegestaan, zelf uw dier begraven, of dit op een dierenbegraafplaats laten doen, of u kunt kiezen voor crematie of destructie. De laatste twee opties kunt u door de praktijk laten verzorgen.

Natuurlijk willen we u graag proberen te helpen met deze moeilijke beslissing. Belt u gerust of kom langs op ons spreekuur, zonodig op afspraak wanneer u dat prettiger vindt. 

Wij wensen u veel sterkte toe.

Terug naar Gezelschapsdieren

Contactinformatie praktijk

Dierenkliniek De Rijp

Terug
  • Ma
    8.30 - 17.00 uur
  • Di
    8.30 - 17.00 uur
  • Wo
    8.30 - 17.00 uur
  • Do
    8.30 - 17.00 uur
  • Vrij
    8.30 - 17.00 uur
  • Za
    Gesloten
  • Zo
    Gesloten
Terug

Vind ons hier:

Schoener 2 1483 TP De Rijp Wij werken uitsluitend op afspraak.
ontvang een routebeschrijving via Google Maps