Menu
  • Bel ons:0299 - 671 366
  • Buiten openingstijden0299 - 671 366

I.v.m. de verspreiding van het Coronavirus is ons beleid tijdelijk aangepast. Lees meer hierover op onze homepagina.

Katten

Katten

Hieronder leest u meer informatie over het houden van uw kat en gezondheidgerelateerde onderwerpen, zoals vaccinaties en ontworming, vruchtbaarheid en dracht, schildklier- en plasproblemen.

Vaccinaties

Kittens kunnen vanaf de leeftijd van negen weken gevaccineerd worden. De herhalingsenting vindt drie weken later plaats, op 12 weken leeftijd. Uw kat wordt hiermee beschermd tegen kattenziekte en niesziekte.

Volwassen katten moeten jaarlijks gevaccineerd worden. U krijgt van ons een oproep thuisgestuurd zodat u het niet kunt vergeten.

Buitenland

Als u met uw kat naar het buitenland gaat, is het volgens de wet verplicht dat uw kat gevaccineerd moet zijn tegen hondsdolheid (rabiës). Uw kat moet wel ouder zijn dan drie maanden. Deze vaccinatie moet minstens drie weken van te voren gegeven worden. Voor sommige landen gelden uitzonderlijke regels en is er bijvoorbeeld een bloedonderzoek nodig. Vraag aan de assistente wat de specifieke eisen zijn voor uw vakantieland. De vaccinatie tegen rabiës geeft drie jaar lang bescherming.

Chippen

Jaarlijks lopen in Nederland honderden katten, honden en andere huisdieren weg. Een groot deel daarvan, vooral katten, vindt de weg naar huis nooit meer terug. Veel van deze dieren komen via de dierenambulance in asielen terecht. Voor dieren die niet zijn geïdentificeerd en niet in een databank zijn geregistreerd is het vrijwel onmogelijk de eigenaren te vinden! Een halsbandje met een adreskokertje lijkt een goede oplossing, maar helaas kan dit relatief gemakkelijk verloren gaan.

Tegenwoordig is er een unieke identificatie methode: de elektronische chip. Met een chip is uw huisdier altijd te herkennen, want iedere chip heeft een eigen, unieke code. De chip is kleiner dan een eurocent. Elektronische identificatie voor gezelschapsdieren heeft grote voordelen. Genoemd kunnen worden:

  • Wereldwijd unieke identificatiecode
  • Diervriendelijk
  • Onbeperkte levensduur van de chip, daardoor levenslange identificatie
  • Eenvoudig in het gebruik
  • Geschikt voor vrijwel alle diersoorten
  • Kan al op jonge leeftijd worden toegepast
  • Fraudebestendig: de code kan nooit worden gewist of veranderd
  • Niet zichtbaar

De code van de chip kan met een afleesapparaat (“reader”) worden afgelezen. De chip zelf doet niets; er zit geen batterijtje of andere energiebron in. Uw huisdier zal het niet merken dat hij of zij een chip draagt! Pas op het moment dat er een afleesapparaat bij in de buurt van de chip komt, gebeurt er iets. Het afleesapparaat geeft een onschadelijk signaal af. De chip wordt actief en antwoordt met de identificatiecode van het betreffende dier. Invloeden van buitenaf hebben overigens absoluut geen effect op de chip!

Registreren

Nadat uw huisdier door de dierenarts van een chip is voorzien moet het dier nog geregistreerd worden. Uw dierenarts vult daarvoor een formulier in en u stuurt dit op naar een databank, zoals de Stichting Nederlandse Databank Gezelschapsdieren, de NDG. De Nederlandse Databank Gezelschapsdieren is een databank die mede is opgericht op initiatief van de Koninklijke Nederlands Maatschappij voor Diergeneeskunde en is een stichting zonder winstoogmerk. De NDG gebruikt de geregistreerde gegevens enkel voor het doel waarvoor de databank is opgericht. Na betaling van een relatief klein bedrag staat uw huisdier voor de rest van zijn leven geregistreerd. Na inschrijving ontvangt u een handig registratiecertificaat en een mutatieformulier waarmee u adreswijzigingen kunt opgeven. Bijna één miljoen huisdieren staan inmiddels bij de NDG geregistreerd.

Controleren

Na ongeveer twee weken zijn uw gegevens ingevoerd in de databank en kunt u via internet heel gemakkelijk nagaan of de registratie heeft plaatsgevonden. Dat kan natuurlijk via de website van de NDG, maar ook via de site www.chipnummer.nl die speciaal voor dat doel is opgezet. De NDG is direct aangesloten bij de Europese overkoepelende databank het European Pet Network, kortweg EPN, zodat uw dierbare huisgenoot ook weer bij u thuis kan komen als hij of zij zich in het buitenland bevindt!

Ontwormen

Zoals ongetwijfeld bekend is komen er zowel bij hond als kat worminfecties voor. Het gaat daarbij meestal om een besmetting met een spoelworm of een lintworm. Niet alleen jonge dieren kunnen besmet raken. Ook bij oudere dieren komen worminfecties voor. Het doel van ontwormen is het terugdringen van een worminfectie tot een aanvaardbaar niveau. Dit niveau is afhankelijk van de “toestand” van de hond of de kat en de besmettingsdruk vanuit de omgeving. Het is bijna onmogelijk om hond en kat volledig wormvrij te maken. 

De spoelworm

De spoelworm (Toxocara) is de meest voorkomende worm. Spoelwormen zijn lastig te vinden. De eieren zijn microscopisch klein, de larven niet goed zichtbaar en dode volwassen wormen zijn meestal verteerd voordat ze het lichaam verlaten hebben. Ontlastingonderzoek is een eenvoudige en weinig kostbare methode om wormbesmettingen vast te stellen. De spoelworm is soms te herkennen aan de lange, dunne, ronde wormen in braaksel (vermicelli-achtige vorm). Spoelwormen hebben geen tussengastheer nodig. Ze worden ook via de melk op pups en kittens overgedragen. 

De lintworm

De lintwormen zijn te herkennen als rijstkorreltjes in de haren rond de anus, of in de ontlasting. Soms kunt u zien dat, als ze net uit de anus zijn gekropen. Deze witte lintwormsegmentjes nog bewegen. Ze zijn dan ca. één tot anderhalve cm lang. Na enige tijd aan de buitenlucht te hebben blootgestaan verschrompelen ze tot de grootte van een rijstkorrel of een komkommerpit. Deze segmenten (delen) van de lintworm bevatten grote hoeveelheden lintwormeitjes. De eipakketten worden door uw huisdier overal in huis verloren en vaak kapot getrapt zodat de inhoud zich in de vloerbedekking kan verspreiden. De lintworm zelf is gemakkelijk en 100% afdoende te bestrijden met de inname van één of meerdere wormtabletten. Het grootste probleem is echter het voorkomen dat uw huisdier zich opnieuw besmet en dus na ca. vier tot zes weken opnieuw lintwormstukjes gaat verliest. Van belang is het daarom te weten hoe uw huisdier (her)besmet raakt met lintwormen. De lintworm wordt overgebracht door vlooien, dus bij een goede ontworming hoort een vlooienbehandeling.

Hoe raakt uw dier besmet? 

De moeder van uw huisdier is in haar leven al eens in aanraking geweest met een spoelworm. De kans is groot, ook al is ze altijd goed ontwormd, dat ze toch een paar larven in haar lichaam heeft. Deze zijn in rust aanwezig in het lichaam en daarom ziet u ze vaak niet en merkt het dier er ook niets van. Zodra het dier echter drachtig is, worden de larven actief. Op deze manier worden pups en kittens al voor hun geboorte besmet met wormen. Daarom is het ook zo belangrijk om pups en kittens al zo vroeg mogelijk goed te ontwormen. Ook kan uw dier buiten eitjes opsnuiven of oplikken. Ook door het oplikken van vlooien kunnen dieren besmet raken. De eitjes van een lintworm worden namelijk opgegeten door een vlo. 

De mens

Ook voor de mens bestaat een bepaald risico. Spoelwormen kunnen namelijk ook overgebracht worden op mensen. Dat gebeurt vooral via de omgeving. U moet dan denken aan zandbakken, parken enzovoort. Vooral kinderen lopen hier gevaar omdat zij vaak buiten spelen. 

Worminfectie bestrijden 

Heel belangrijk bij de bestrijding van wormen is een goed ontwormingsschema. In het onderstaande schema kunt u zien, wanneer u uw dier het beste kunt ontwormen.

Ontwormingsschema 
Pups Ontwormen op 2, 4, 6, en 8 weken leeftijd, daarna iedere maand totdat ze een half jaar oud zijn.
Kittens Ontwormen op 2, 4, 6 en 8 weken, daarna iedere maand totdat ze een half jaar oud zijn.
Volwassen dieren 2 tot 4 keer per jaar ontwormen en natuurlijk als u wormen ziet.
Drachtige dieren 2 tot 4 keer per jaar ontwormen en natuurlijk als u wormen ziet.

Ontworm alle dieren in huis tegelijk om herbesmetting te voorkomen. Zorg ook voor een goede vlooienbestrijding van dier en huis. Op deze manier voorkomt u een lintwormbesmetting.

Vlooien en teken

Vlooien

Vlooien voeden zich met het bloed van de kat, waarna ze zich voortplanten en eitjes leggen, tot wel 50 eitjes per dag. De vlooieneitjes belanden vooral op plaatsen waar de kat vaak ligt. Na enkele weken komen er vlooienlarfjes uit. Deze larfjes voeden zich onder andere met huidschilfers en verpoppen vervolgens. Het popstadium kan maanden duren, maar uiteindelijk komt er een nieuwe vlo uit en begint de cyclus opnieuw. Vroeger vermenigvuldigden vlooien zich vooral in de zomer explosief, maar tegenwoordig weten ze zich in onze goed verwarmde huizen het hele jaar door te handhaven en soms ware vlooienplagen te veroorzaken.

Soms veroorzaken vlooien bij de kat alleen wat irritatie, maar als een kat vaak gebeten wordt kan dat, zeker bij een kitten, tot ernstige bloedarmoede leiden. Ook kunnen vlooien lintworminfecties overbrengen. Veel katten zijn allergisch voor het speeksel van de vlo en kunnen daardoor allergische huidziekten ontwikkelen die met veel jeuk gepaard gaan. Omdat ze zich daardoor veel likken wordt de vacht vaak dun. Soms slikt de kat zoveel haar in, dat er maagproblemen ontstaan.

Bij de verzorging van de kat hoort daarom ook een goede vlooienbestrijding. De kliniek beschikt over de nieuwste middelen hiervoor;  zowel middelen die de vlooien doden als middelen die de eitjes en larven en de omgeving van de kat aanpakken. Daarnaast zijn ze veilig voor het dier zelf en voor de mens, makkelijk toe te passen, waterbestendig en milieuvriendelijk.

In overleg met u adviseren wij u graag welke middelen het meest geschikt zijn voor uw kat. Door een juiste vlooienbestrijding kunnen veel huidproblemen voorkomen worden. Heeft uw kat desondanks veel jeuk of huidklachten, dan is nader onderzoek door de dierenarts aan te bevelen. Mogelijk moeten de gevolgen van een vlooienallergie worden bestreden of is er sprake van een huidaandoening die niet door vlooien worden veroorzaakt.

Teken

Katten komen graag buiten en lopen dan nogal eens onder struiken door, waar ze zich kunnen besmetten met teken. Dit zijn kleine bruinzwarte parasieten van één tot drie mm groot die zich vastbijten in de huid van de kat en zich daar volzuigen met bloed. Na een dag of vijf zijn ze verzadigd en wel één cm groot en laten ze los. Teken komen voor van maart tot november. 

In bossen, struiken en hoog gras wachten ze op passerende slachtoffers. Niet alleen in de vrije natuur, maar ook in uw eigen tuin kan de kat teken oplopen.

Teken kunnen infecties en ontstekingen op de plaats van de beet veroorzaken, maar ze kunnen ook verschillende ziekten overbrengen, zoals de ziekte van Lyme. Komt de kat buiten, controleer dan de vacht dagelijks in de tekentijd. Vindt u maar enkele teken, dan kunt u die het beste zo snel mogelijk verwijderen. De kans op besmetting met eventuele ziektes is dan het kleinst. 

Verdoof de teek niet van tevoren, maar pak hem met een pincet of een tekentang zo dicht mogelijk op de huid en trek hem met een licht draaiende beweging uit de huid. Ontsmet daarna het wondje met betadinejodium. Zit de kat regelmatig vol met teken, dan is het veel werk om ze allemaal te verwijderen. Gebruik dan preventief een middel dat de teek zo snel mogelijk doodt.

Castratie kater

Katers worden geslachtsrijp als zij acht tot negen maanden oud zijn. Vanaf deze leeftijd kunnen zij de neiging krijgen overal tegenaan te plassen (het zgn. sproeien). De urine krijgt hierbij een doordringende 'katerlucht'. Als de kater eenmaal gaat sproeien dan blijft hij hier meestal mee doorgaan, ook als hij gecastreerd is. Het is daarom noodzakelijk om de kater voordat hij gaat "sproeien" te castreren. 

Ook is de kater veel op pad en weinig huiselijk meer. Bij terugkomst zitten de katers vaak onder de krabben en abcessen tengevolge van hun luidruchtige nachtelijke gevechten. Tijdens deze (soms meerdaagse) zwerftochten, steken de katers vele drukke wegen over en wordt een groot aantal van hen aangereden. Om deze redenen worden de meeste katers gecastreerd zodra zij 6 maanden oud zijn. De kater blijft dan veel huiselijker en gezonder. 

De castratie 

Voor deze operatie dient van tevoren een afspraak gemaakt te worden. Op de dag voorafgaande aan de operatie mag de kater vanaf zes uur ‘s avonds niet meer eten. Water drinken mag wel. Als u de kater brengt, wordt hij onderzocht en krijgt hij een kleine narcoseprik, waar hij weinig of niets van voelt. Als hij helemaal onder narcose is, wordt er een klein sneetje in de zak gemaakt waar doorheen de bal (testikel) naar buiten wordt gebracht. Het bloedvat en de zaadstreng worden met elkaar verknoopt. Zo kan het bloedvat niet gaan bloeden en hoeft er ook geen hechting gebruikt te worden voor het afbinden. Vervolgens wordt de testikel verwijderd. De andere testikel wordt op dezelfde manier verwijderd. De operatie stelt voor de patiënt dus niet zoveel voor, ook omdat de buikholte niet hoeft te worden geopend. 

De nazorg 

Na de operatie heeft de kater de rest van de dag tijd om rustig en onder toezicht bij te komen. De kater kan in de namiddag weer opgehaald worden. Als de patiënt thuiskomt, zal hij nog niet helemaal fit zijn. Hij mag wat drinken, een klein beetje eten mag u pas geven als hij er zelf om vraagt. In ieder geval moet hij de volgende dag uit zichzelf wat drinken, en na twee dagen uit zichzelf wat eten. Is dit niet het geval, moet u contact opnemen. Voor een 'buitenkater' geldt dat u hem binnen moet houden tot hij weer goed drinkt en eet en normaal functioneert. Als u meer huisdieren heeft, is het raadzaam om de patiënt even apart te houden. Dit geldt ook ten aanzien van gevaarlijke situaties (trappen, en andere hoogten). Mocht u vragen hebben, of bent u er toch niet helemaal zeker van dat alles goed gaat, neemt u dan gerust contact met ons op. 

Voordelen

De testikels vormen zowel het zaad als ook de mannelijke hormonen. Uw kater kan dus allereerst geen poezen meer bevruchten. Van meer belang voor de eigenaar is dat binnen een paar weken de katergeur verdwijnt. Meestal verdwijnt ook het in huis plassen ("sproeien"). De castratie is echter geen garantie dat dit territoriumgedrag volledig verdwijnt. Door de castratie wordt de geslachtsdrift weggenomen, weliswaar de belangrijkste maar niet de enige oorzaak van het territoriumgedrag. Ook veranderingen in de onderlinge verhoudingen, zowel tussen dieren onderling als ook tussen mens en dier, spelen hierbij een belangrijke rol. Wij kunnen u informeren over de verschillende mogelijkheden om dit probleem aan te pakken.

Sterilisatie poes

De krolsheid

Poezen worden krols. Dit is de periode waarin de poes vruchtbaar is en gedekt kan worden. De eerste krolsheid kan al op de leeftijd van vier tot vijf maanden optreden, meestal echter tussen de zes en acht maanden. Een poes kan wekenlang krols zijn, met tussenpozen van een paar weken. In de krolsheidsperiode gedraagt de poes zich anders dan normaal: veel miauwen, onrustig, aanhalig, en over de grond rollen. De katers uit de buurt kunnen opdringerig buiten aanwezig zijn en bij de voordeur gaan plassen. De poes wil dan ook graag naar buiten. Soms begint een krolse poes in huis te plassen. Krolsheid leidt dus tot veelal ongewenst gedrag en kans op dracht. Krolsheid kan worden voorkomen ofwel door wekelijks de poezenpil te geven, ofwel door castratie, het operatief verwijderen van de eierstokken. Door de poezenpil ontstaat een verhoogde kans op een baarmoederontsteking of op melkkliergezwellen. Daarom heeft castratie de voorkeur. Dit wordt in de volksmond wordt ook wel sterilisatie genoemd. Deze term is echter niet correct, want steriliseren is het onvruchtbaar maken met behoud van geslachtsdrift. 

De castratie 

De poes kan vanaf zes maanden gecastreerd worden. Ze hoeft niet eerst krols te zijn geweest. Bestaat het vermoeden dat de poes gedekt is, dan is het verstandig om haar binnen twee weken te castreren. Een poes die een nestje heeft gehad kan het beste zeven tot acht weken na het werpen gecastreerd worden, omdat ze dan al weer krols en dus vruchtbaar kan worden. 

Voor deze operatie dient van tevoren een afspraak gemaakt te worden. Op de dag voorafgaande aan de operatie mag de poes vanaf zes uur ‘s avonds niet meer eten. Water drinken mag wel. Als u de poes brengt, wordt ze onderzocht en krijgt ze een kleine narcoseprik, waar ze weinig of niets van voelt. Als ze slaapt wordt haar buik geschoren. In de operatiekamer wordt het operatiegebied grondig gedesinfecteerd. Vervolgens wordt een klein sneetje in de huid gemaakt en de buikwand geopend. De eierstokken worden naar buiten gebracht en verwijderd. Mochten er afwijkingen aan de baarmoeder zichtbaar zijn, dan kan op dat moment besloten worden om deze ook te verwijderen. Uiteindelijk worden de buikwand, de onderhuid en de huid gesloten met enkele hechtingen. 

De nazorg 

Na de operatie heeft de poes de rest van de dag tijd om rustig en onder toezicht bij te komen. De poes kan in de namiddag weer opgehaald worden. Als de patiënt thuiskomt, zal ze nog niet helemaal fit zijn. Ze mag wat drinken. Een klein beetje eten mag u geven als ze er zelf om vraagt. In ieder geval moet ze de volgende dag uit zichzelf wat drinken, en na twee dagen uit zichzelf wat eten. Is dit niet het geval, dan moet u even contact met ons opnemen. Voor een 'buitenpoes' geldt dat u haar binnen moet houden tot ze weer goed drinkt en eet en normaal functioneert. Vaak herstellen de patiënten wonderbaarlijk snel van een dergelijke buikoperatie en kunnen ze na een paar dagen alweer naar buiten. Als u meer huisdieren heeft, is het raadzaam om de patiënt even apart te houden. Dit geldt ook ten aanzien van gevaarlijke situaties (trappen, en andere hoogten). Na 10 dagen zien wij de poes graag even terug voor controle, dan worden direct de hechtingen verwijderd. Mocht u nog vragen hebben, of bent u er toch niet helemaal zeker van dat alles goed gaat, neemt u dan gerust contact met ons op.

Dracht en bevalling

De dracht bij de kat duurt gemiddeld 63 dagen (58 - 65 dagen). De dracht kan vastgesteld worden op dag 32 en na dag 42 door middel van een buikpalpatie. Het is echter betrouwbaarder om dit vast te stellen met een echo vanaf dag 35. Hiervoor kunt u bij ons een afspraak maken. Na 3,5 - 4 weken dracht zullen de tepels gaan zwellen en worden de tepels roder van kleur. Rondom de tepels gaan de haren uitwijken. De poes gaat ook meer eten en slapen.

Dracht 

Zorg ervoor dat uw poes, als u met haar gaat fokken, in een goede conditie is en zij goed ingeënt en ontwormd is (vier keer per jaar). Wanneer uw poes drachtig is, is het belangrijk om haar herhaaldelijk te ontwormen aangezien de spoelworm de kittens via de moedermelk kan besmetten. Ontworm uw poes dus twee weken vóór en twee weken ná de bevalling met Stronghold. De eerst zeven weken van de dracht hoeft u uw poes niet meer dan normaal te voeren. Daarna kunt u de voedingsgift iets opbouwen. In de praktijk kunt U terecht voor speciaal voer, dit is voer voor het kitten, de drachtige kat en/of de melkgevende poes.

Bevalling 

U kunt zien dat de bevalling nadert door zwelling van de melkklieren en gedragsveranderingen. Van tevoren temperaturen om een naderende bevalling te herkennen is niet betrouwbaar bij de poes. Symptomen van een naderende bevalling bij de poes zijn vaag. Een geringe eetlust, typische lokroepen en een opvallende hyperventilatie geven aan dat de poes gaat bevallen. De poes zoekt vaak de kattenbak op om te persen tijdens de uitdrijvingsfase en perst altijd in borst-buik ligging. Zorg voor een soort werpkist voor de poes. U hoeft alleen in te grijpen tijdens de bevalling als het kitten na de geboorte niet uit de vliezen komt. Dan het kitten zo snel mogelijk uit de vliezen halen, het slijm uit het mondje halen en opwrijven met een handdoek.

Drachtig voor de eerste keer 

Wanneer de poes voor de eerste keer drachtig is kan de uitdrijvingsfase van het eerste kitten wat langer duren. Meestal likt de poes de vruchtvliezen van het kitten er zelf af en eet de nageboorte op. De duur tussen twee kittens is ongeveer 45 min tot 1 uur. Meestal wordt er dan niet geperst. Duurt het langer dan 2 uur voor de komst van het volgende kitten en blijft zij persen, dan is het verstandig om de dierenarts te waarschuwen. Die kan dan een weeënversterkend middel toedienen. Tussen het werpen van de kittens kan het zijn dat de poes gewoon gaat eten en drinken, soms zelfs even slapen.

Controleer altijd de navelstreng die aan het kitten vastzit op bloedingen. Bij bloedverlies moet dit afgebonden worden. Blijft de poes onrustig na de geboorte, dan moet u ook de dierenarts raadplegen om te kijken of alle kittens eruit zijn.

Na de bevalling 

Door het opeten van de nageboorte heeft de poes na de bevalling meestal een paar dagen last van diarree. Ook heeft zij een geringe eetlust. De eerste tien dagen na de bevalling heeft de kat nog uitvloeiing uit de vulva, dat van rood gekleurd via groen naar een heldere kleur over gaat. Deze uitvloeiing moet na twee weken over zijn. Komt er stinkende uitvloeiing uit, dan moet u de dierenarts raadplegen. De standaard toediening van oxytocine na de bevalling wordt afgeraden.

Het is het beste om de kittens gelijk na de geboorte te wegen en eventueel te merken. Kittens wegen ongeveer 100 gram bij de geboorte. Per dag is er ongeveer een groei van 10% van het lichaamsgewicht. Tien dagen na de geboorte gaan de ogen open en is het kitten in lichaamsgewicht verdubbeld. Wanneer het kitten niet voldoende groeit, dient de dierenarts geraadpleegd te worden. Het kan zijn dat de poes te weinig melk geeft door stress, melkklierontsteking of een te lage productie.

Als het nodig is kunt u het kitten zelf voeden tot de leeftijd van vier weken. Vanaf dan kan het kitten zelfstandig drinken en brokjes eten. De kunstmatige voeding is verkrijgbaar bij de dierenartsenpraktijk. Op de verpakking staat duidelijk vermeld wat u moet doen. Ook is het belangrijk dat de kittens goed warm gehouden worden.

Ontwormen 

De ontworming van het kitten is zeer belangrijk. Kittens kunnen behoorlijk ziek worden van een worminfectie. Het is dus verstandig om de moeder op twee, vier en zes weken na de bevalling te ontwormen met bijvoorbeeld Stronghold. De kittens zelf moeten dan nog op 9 en 12 weken leeftijd met Stronghold ontwormd worden.

Inenten 

De eerste inenting (tegen nies- en kattenziekte) bij het kitten is op een leeftijd van negen weken. Bij 12 weken volgt de tweede enting. Het kitten heeft dan een 'booster' gehad en heeft voldoende immuniteit opgebouwd. Daarna is het noodzakelijk de inenting eenmaal per jaar te herhalen.

Naar een nieuw baasje 

Aangeraden wordt om kittens pas vanaf de leeftijd van acht weken bij de moeder weg te halen. Vanaf 3 t/m 12 weken zit het kitten in een socialisatieperiode. Dit betekent dat het kitten aan zoveel mogelijk dingen moet wennen. Denk hierbij aan de stofzuiger, muziek en andere geluiden en gebeurtenissen. Het is beste is om niet alle kittens tegelijk bij de poes weg te halen, aangezien de poes het hier erg moeilijk mee zal hebben.

Melkkliergezwellen

Melkkliergezwellen zijn de meest voorkomende gezwellen bij de kat. Ze kunnen zowel goed- als kwaadaardig zijn. Bij de poes worden knobbeltjes onder de buik in de buurt van de tepels gevoeld.

Voorkomen

De aandoening komt bijna alleen bij poezen voor. De dieren zijn vaak van middelbare leeftijd (7 jaar) als de eerste knobbeltjes ontstaan. Poezen die jong gesteriliseerd zijn, dat wil zeggen voor de vijfde krolsheid, lopen veel minder risico. Dieren die veel met antikrolsheidpreparaten (de poezepil bijvoorbeeld) behandeld zijn, hebben meer kans op problemen. Het maakt geen verschil of een poes jongen heeft gehad. 

Oorzaak

De oorzaak is, zoals bij ieder gezwel, een ontsporing van de normale celgroei. De groei van cellen wordt door het lichaam strak in de hand gehouden. Bij tumoren gaat de groei ongeremd door, met alle gevolgen van dien. Dat hormonen bij het ontstaan van melkkliergezwellen een belangrijke rol spelen, blijkt uit het feit dat jong gesteriliseerde katten bijna nooit gezwellen krijgen, terwijl niet gesteriliseerde dieren vaak tumoren ontwikkelen. Het geven van extra hormonen (zoals de poezepil) doet het risico flink toenemen.

Diagnose

Het is niet zo moeilijk om vast te stellen of een dier gezwellen in de melkklieren heeft. Onder de buik zijn dan in de buurt van de tepels, onderhuidse knobbels voelbaar. Het is helaas niet mogelijk om aan de buitenkant te zien of een knobbel goed- of kwaadaardig is. Een extra probleem is dat melkkliergezwellen goedaardig kunnen beginnen maar later toch kwaadaardig kunnen worden. Bij katten is het merendeel van de gezwellen kwaadaardig, zeker bij oudere dieren die de pil gehad hebben. Bij het onderzoek wordt gelet op grootte, plaats, aantal en verplaatsbaarheid van de knobbels. Het is mogelijk om door het wegnemen en laten onderzoeken van een stukje weefsel, vast te stellen om wat voor soort gezwel het gaat. Nadeel is dat het gezwel zelf blijft zitten, waardoor vaak een tweede operatie nodig is. Bij een goedaardig gezwel is er bovendien kans dat wanneer het blijft zitten, het later toch nog ontaardt in een kwaadaardig gezwel.

Overactieve schildklier (hyperthyreoïdie)

Een vaak voorkomend probleem bij de oudere kat

Een overactieve schildklier (hyperthyroïdie) is de meest voorkomende hormonale stoornis bij katten. De ziekte was tot voor 25 jaar nog zo goed als onbekend, maar wordt nu ook in Nederland en België steeds vaker waargenomen. In meer dan 95% van de gevallen is de oorzaak een goedaardige tumor in de schildklier, waardoor deze te veel schildklierhormoon produceert. Deze overproductie leidt tot een intensievere stofwisseling, waarbij verschillende lichaamsprocessen ernstig beïnvloed worden.

De symptomen van een overactieve schildklier

De te hoge productie van schildklierhormoon leidt tot een aantal kenmerkende symptomen:

  • Duidelijke verhoging van de eetlust; de kat kan zelfs uitgehongerd lijken. Desondanks vermagert de kat langzamerhand.
  • De kat wordt nerveus en agressief
  • De kat is hyperactief: miauwt veel, loopt continu rond en slaapt weinig
  • De vacht ziet er onverzorgd en ruig uit
  • De kat braakt veel en lijdt vaak aan diarree

Verder zien we een snelle, soms zelfs een geforceerde ademhaling en een snelle bonzende hartslag. 
In 10 tot 20% van de gevallen van een overactieve schildklier zijn er alleen enkele afzonderlijke, onspecifieke ziekteverschijnselen waar te nemen. Bij deze zogeheten ‘atypische gevallen' kunnen katten zelfs een normaal gewicht behouden of zich rustig of depressief gedragen. Aangezien een overactieve schildklier vooral bij oudere katten voorkomt, is het raadzaam bij katten ouder dan 8 jaar preventief een schildklieronderzoek te laten doen.

Vaststellen van de aandoening

De beschreven symptomen kunnen het aanknopingspunt zijn om aan een schildklieraandoening te denken. 
De dierenarts kan verdere aanwijzingen krijgen door de schildklier af te tasten. Uiteindelijk kan echter alleen met bloedonderzoek de definitieve diagnose worden gesteld. In de meeste gevallen levert het bloedonderzoek een eenduidige diagnose op. Soms kan het echter nodig zijn om bepaalde tests te herhalen of andere tests uit te voeren.

Vroegtijdige diagnose is belangrijk!

Als de schildklieraandoening niet op tijd wordt vastgesteld en behandeld, dan leven de zieke katten over het algemeen niet langer dan één tot twee jaar. De vroegtijdige dood van het dier is vooral te wijten aan de veranderingen in het hart. Door de chronische overbelasting van het hart kan de hartspier namelijk dikker worden en sluiten de kleppen onvoldoende. Door de hoge bloeddruk kunnen ook de nieren worden beschadigd.

De behandeling

Er zijn verschillende mogelijkheden om de schildklieraandoening te behandelen.

1. Met medicijnen 
Er kan een zogenaamde schildklierremmer worden gegeven. De kat moet dit geneesmiddel gedurende de rest van zijn leven iedere dag toegediend krijgen. Voor katten is een speciale tablet ontwikkeld. Eerst krijgt de kat enige tijd een zogenaamde startdosis. Tijdens deze instelfase moet het bloed regelmatig worden gecontroleerd om het succes van de behandeling te kunnen vaststellen en de juiste onderhoudsdosis te kunnen bepalen. Daarna krijgt de kat een ‘onderhoudsdosis'. Vanaf dat moment is het raadzaam om de kat elk jaar te laten onderzoeken. 

2. Met een operatie 
Als er besloten wordt om te opereren, dan moet de toestand van het dier eerst worden gestabiliseerd door het schildklierremmende geneesmiddel twee tot drie weken lang toe te dienen. Pas daarna mag de operatie uitgevoerd worden, deze houdt wel altijd een zeker risico in. Vlakbij de schildklier ligt namelijk de bijschildklier. Wanneer dit orgaantje wordt beschadigd of zelfs verwijderd, dan ontstaat een levensgevaarlijk tekort aan calcium in het bloed. Bij sommige katten kan een tweede operatie of behandeling met medicijnen nodig zijn.

Tandheelkunde

In de dierenartsenpraktijk worden tandheelkundige behandelingen bij gezelschapsdieren steeds belangrijker. Honden en katten worden op het spreekuur aangeboden met klachten als stinken uit de bek, pijn en/of zwellingen. Oorzaken hiervan kunnen onder andere zijn:

  • Tandvleesontsteking, veroorzaakt door tandplaquebacteriën
  • Onvoldoende mondhygiëne, door achterblijvende voedselresten
  • Afwijkingen van het mondslijmvlies, de tong, de lipplooien
  • Doorbraakproblemen bij het wisselen
  • Andere oorzaken zoals een kaakfractuur, maagdarmaandoeningen

Tandsteen wordt hier bewust niet genoemd, omdat het niet de oorzaak is van bovengenoemde klachten. Door een onvoldoende zelfreinigende werking in de mondholte ontstaat een teveel aan tandplaque. Tandplaque is een wittige, vrij gemakkelijk afschraapbare bacterielaag die voorkomt op tanden en kiezen die niet regelmatig worden gereinigd. Wanneer tandplaque langer blijft zitten ontstaat er tandsteen, doordat er langzaam calciumfosfaten worden gevormd. Tandsteen is dus verkalkte tandplaque.

Tandplaque kan op twee manieren schade toebrengen aan het gebit. Door ophoping van de tandplaque raakt het tandvlees ontstoken, wat uiteindelijk kan leiden tot verlies van tanden en kiezen. Daarnaast kunnen gaatjes in de gebitselementen ontstaan (cariës, dit komt bij honden weinig en bij katten zelden voor).

Wanneer een hond of kat met klachten wordt aangeboden op het spreekuur dan worden eerst de mondholte en het gebit door de dierenarts onderzocht. Er wordt onder andere gekeken naar het mondslijmvlies, de tong, het gehemelte en het tandvlees. Daarna wordt in overleg met de klant een behandeling ingesteld. Deze behandeling kan uit enkel een goede instructie en begeleiding van de mondhygiëne, tot aan een professionele gebitsreiniging bestaan. Afhankelijk van de behandeling kan de nazorg het geven van een antibioticakuur zijn, om de ontsteking te bestrijden. Om dan het gebit in goede conditie te houden volgt een periodieke controle (meestal gelijk met de entingen).

Plasproblemen

Hoe herken ik een blaasprobleem?

Er zijn diverse symptomen waaraan u kunt zien dat uw poes of kater een blaasprobleem heeft: het plasgedrag is abnormaal, de urine ziet er anders uit of het dier gedraagt zich vreemd. Hieronder beschrijven we deze drie belangrijkste problemen.

  • Abnormaal plasgedrag
    Het kan ineens opvallen dat uw kat vaker gaat plassen, waarbij soms een vorm van onzindelijkheid optreedt. De kat plast dan buiten de bak of zomaar ergens in huis. Of het dier brengt langere tijd door op de kattenbak terwijl er nauwelijks sprake is van urineproductie. Misschien ziet u uw kat persen tijdens het plassen of miauwt het van de pijn als het plast. In het ergste geval kan uw huisdier helemaal niet plassen.
  • Abnormale urine
    U moet ook altijd alert zijn op de veranderingen in de urine. Neem contact op met uw dierenarts als de urine roodgekleurd is (er zit dan bloed in), als hij donker en troebel is en/of sterk ruikt.
  • Abnormaal gedrag
    Uw kat kan ineens opvallend onrustig en klagerig zijn of juist uitermate sloom.

De oorzaak

Bij meer dan de helft van de katten met plasproblemen is de oorzaak niet precies te achterhalen. Afhankelijk van de klachten is meestal wel een behandeling mogelijk. Hieronder leest u meer over de mogelijke oorzaken van de plasproblemen en komt u meer te weten over de mogelijkheden die er zijn om die problemen te behandelen.

Er zijn veel factoren die het milieu in de blaas en daarmee de samenstelling van de urine bepalen. Denk bijvoorbeeld aan de voeding. Binnenkatten en dikkere katten lopen meer risico op het krijgen van blaasproblemen. Zij houden de urine langer op, en omdat ze minder lichaamsbeweging krijgen ligt ook de urine in de blaas stil. Hierdoor wordt er makkelijker gruis gevormd in de urine. Ook stress, bijvoorbeeld te veel katten in een huishouden, kan een rol spelen bij het ontstaan van plasproblemen. Wanneer een kat blaasproblemen heeft gaat dit vaak gepaard met bloedverlies met als gevolg rode urine. Daarnaast kunnen ook eiwitten, ontstekingcellen en bacteriën aanwezig zijn. Deze kunnen als basis dienen voor het neerslaan van mineralen en/of zouten, waardoor blaasgruis of blaasstenen worden gevormd. Bij slechts 10% van de katten veroorzaakt een infectie van de urinewegen de plasproblemen.

Urineonderzoek

In alle bovenstaande gevallen is het aan te raden om de urine van de kat te laten onderzoeken bij de dierenarts. U kunt bij uw dierenarts een speciaal urine opvangsetje (Katkor) ophalen om urine te verzamelen. In de urine kunnen we zien of er sprake is van een ontsteking t.g.v. blaasgruis.

Behandeling van plasproblemen

Afhankelijk van de oorzaak van de plasproblemen zal een behandeling worden voorgesteld:

  • Een aangepast dieet (bij vorming van blaasgruis)
  • Antibiotica (bij een infectie)
  • Pijnstilling of urinewegontspanners
  • Stressbestrijding
  • Opheffen van de verstopping 
  • Operatie

De dieetvoeding herstelt het normale milieu in de blaas, waardoor de hoeveelheid blaasgruis zal verminderen. Dit kan echter enkele weken duren. Tijdens die weken kan het plasprobleem zich opnieuw voordoen. Het is belangrijk u te houden aan het speciale dieet. Na het gruisoplossende dieet kan het noodzakelijk zijn om levenslang een blaasgruisvoorkomend dieet te geven.

Voor de doorspoeling van de urinewegen en verdunning van de urine is het van groot belang dat de kat veel drinkt. Zorg dus altijd voor vers drinkwater. U kunt eventueel van brok- op blikvoeding overgaan en wat extra water door het blikvoer mengen.

Wanneer een spoedgeval?

Als u merkt dat uw kater niet of nauwelijks meer kan plassen, heeft hij mogelijk een verstopping van zijn plasbuis. Dit is een spoedgeval! In de pijnlijke buik is dan een harde bal voelbaar ter grote van een sinaasappel. Het dier raakt zijn afvalstoffen niet meer kwijt via zijn urine, waardoor er snel onherstelbare schade in het lichaam ontstaat. De kat wordt sloom, trekt zich terug en kan gaan braken. Poezen hebben een wijdere en kortere plasbuis waardoor een verstopping zelden zal voorkomen.

Suikerziekte

Bij suikerziekte of diabetes blijft er teveel suiker (glucose) in het bloed achter.

Bij de vertering van voedsel wordt er onder andere glucose gevormd, dat voor het lichaam nodig is als bouwsteen en als brandstof. Na een maaltijd stijgt dus de hoeveelheid glucose in het bloed. De spier- en vetcellen nemen glucose uit het bloed op als ze daartoe aangezet worden door het hormoon insuline. Insuline wordt gemaakt in de alvleesklier en het zorgt ervoor dat de hoeveelheid glucose in het bloed tussen bepaalde grenswaarden blijft.

Suikerziekte kan bij de kat ontstaan door verschillende factoren. Gebrek aan beweging en overgewicht leiden tot een verminderde gevoeligheid voor insuline, waardoor er meer van dit hormoon moet worden aangemaakt om het bloedsuikergehalte te reguleren. Ook kunnen bijwerkingen van bepaalde medicijnen de werking van insuline tegengaan. De alvleesklier moet dan meer insuline gaan produceren, wat kan leiden tot uitputting van de insulineproducerende cellen. Bepaalde ziekten (syndroom van Cushing) of behandelingen met bepaalde medicijnen kunnen ook leiden tot het ontstaan van suikerziekte. Ook is het beter poezen niet te behandelen met medicijnen die de krolsheid voorkomen.

Verschijnselen

Als er teveel glucose in het bloed aanwezig is, zal er via de nieren glucose met de urine verloren gaan. De glucose in de urine trekt extra vocht aan waardoor de kat meer gaat plassen. Om dit extra vochtverleis te compenseren zal de kat meer gaan drinken. Doordat er nu een belangrijke brandstof verloren gaat, zal de kat meer gaan eten en desondanks gewicht gaan verliezen. Uiteindelijk leidt dit er toe dat de eetlust verslechtert en de kat ernstig ziek wordt.

Diagnose

De definitieve diagnose wordt gesteld wanneer bij de kat met verschijnselen van suikerziekte (bij herhaling) een te hoog glucosegehalte in het bloed wordt aangetoond en ook de urine glucose bevat.

Behandeling

Het tekort aan insuline moet dagelijks op vaste tijdstippen worden aangevuld met een insuline-injectie. Omdat niet precies bekend is hoe groot het insulinetekort bij de kat is, moet eerst de juiste dosering worden vastgesteld. Aan de hand van het lichaamsgewicht zal de dierenarts de startdosering insuline bepalen. Het insulinepreparaat heeft bij katten maximaal 12 uur effect, en daarom moet het tweemaal daags op vaste tijdstippen met 12 uur tussen de injecties worden toegediend.

Omdat de hoeveelheid insuline is afgestemd op de hoeveelheid glucose die het dier op een dag nodig heeft, is het belangrijk om te zorgen voor regelmaat in de voeding. Geef dagelijks een zelfde hoeveelheid voedsel van een zo constant mogelijke samenstelling. Voor katten met suikerziekte is speciaal dieetvoer verkrijgbaar.

De hoeveelheid lichaamsbeweging is van invloed op de benodigde dagelijkse hoeveelheid insuline, maar dit is bij een kat slecht te beïnvloeden. Wees er daarom op bedacht dat bij een plotselinge toename van de dagelijkse activiteit de kat meer glucose verbrandt en dat daardoor het bloedglucosegehalte sterk kan dalen (hypoglycemie).

Vooruitzichten

Door de behandeling met insuline en een regelmatig leefpatroon kan de kat meestal een vrijwel normaal leven leiden. Soms wordt gezien dat enkele maanden na de behandeling met insuline een redelijk herstel van de insulineproducerende cellen optreed. Deze katten kunnen dan weer voldoende lichaamseigen insuline aanmaken. Deze katten moeten echter wel goed in de gaten worden gehouden, omdat zij op latere leeftijd weer opnieuw suikerziekte kunnen ontwikkelen.

Complicaties

De belangrijkste complicatie van de behandeling van een suikerziektepatiënt is een te laag bloedsuikergehalte (hypoglycemie). Dit kan ontstaan door een toename in de dagelijkse activiteit en/of een verminderde opname van voedsel, door het toedienen van teveel insuline of doordat de cellen in de alvleesklier zich herstellen.

Bij een te laag bloedsuikergehalte krijgen de hersenen te weinig brandstof en dit is een levensbedreigende situatie. De verschijnselen kunnen zijn sloomheid, honger op onverwachte tijdstippen, trillen/vreemde bewegingen en uiteindelijk een diepe slaap. Deze situatie is op elk tijdstip van de dag mogelijk, maar doet zich meestal twee tot vier uur na de insulinetoediening voor.

Geef in dit geval direct een maaltijd, het glucosegehalte in het bloed moet weer gaan stijgen. Als de kat niet meer in staat is om te eten, dan moet zo snel mogelijk (een oplossing van) één gram druivensuiker per kg lichaamsgewicht worden gegeven. Een oplossing kan voorzichtig in de wangzak worden gegoten, poeder kan vooral op en onder de tong worden gewreven. Neem daarna direct contact op met de dierenarts.

Euthanasie

Hieronder volgt informatie om u te helpen met de vaak moeilijke beslissing uw huisdier te euthanaseren. 

Wanneer laat je een huisdier inslapen?

Het is moeilijk, maar belangrijk om te proberen een inschatting te maken of uw huisdier nog een dierwaardig leven kan leiden. Heeft hij of zij pijn of een gebrek waarbij medicijnen geen uitkomst (meer) bieden?

Hoe gaat een euthanasie?

Uw huidier kan zowel thuis als op de praktijk inslapen.

Het voordeel op de praktijk is dat uw dier enigszins onder de indruk is en niet op zijn/haar eigen terrein is waardoor hij of zij makkelijker te ‘helpen’ is. ‘Thuis’ wordt, vooral door honden, gezien als het terrein dat altijd verdedigd moet worden en waar ze nu vaak tegen hun wil in, door ons moeten worden vastgehouden.  

In de voorbereidende fase van de euthanasie wordt het dier eerst min of meer rustig gemaakt met een verdovend middel. Wanneer het dier niets meer voelt en dus niet meer door heeft wat er gebeurt, wordt het tweede prikje gegeven en slaapt hij of zij rustig in. In de meeste gevallen wordt de injectie bij de hond in een bloedvat van de voorpoot gespoten. Katten, konijnen en overige kleine dieren krijgen een verdovend middel in de buikholte gespoten.

Wat gebeurt er met het lichaam?

Er zijn een aantal mogelijkheden: u kunt, indien dit door de gemeente wordt toegestaan, zelf uw dier begraven, of dit op een dierenbegraafplaats laten doen, of u kunt kiezen voor crematie of destructie. De laatste twee opties kunt u door de praktijk laten verzorgen. 

Natuurlijk willen we u graag proberen te helpen met deze moeilijke beslissing, belt u gerust of kom langs op ons spreekuur, zonodig op afspraak wanneer u dat prettiger vindt. 

Wij wensen u veel sterkte toe.

Terug naar Gezelschapsdieren

Contactinformatie praktijk

Dierenkliniek De Rijp

Terug
  • Ma
    8.30 - 17.00 uur
  • Di
    8.30 - 17.00 uur
  • Wo
    8.30 - 17.00 uur
  • Do
    8.30 - 17.00 uur
  • Vrij
    8.30 - 17.00 uur
  • Za
    Gesloten
  • Zo
    Gesloten
Terug

Vind ons hier:

Schoener 2 1483 TP De Rijp Inloopspreekuur: ma, wo, vr: 14.00 - 14.30 en 18.30 - 19.00
ontvang een routebeschrijving via Google Maps