Wormen

Ontwormen 

Ontwormingsmiddelen worden tegenwoordig niet zomaar meer afgegeven. Uit onderzoek is gebleken dat te vaak behandelen de ontwikkeling van resistentie (de wormen zijn ongevoelig voor de ontwormingsmiddelen) versnelt. Ook is recent aangetoond dat 80% van de paarden niet of slechts heel licht besmet zijn. Bovendien hoort een paard de gelegenheid te krijgen om een natuurlijke immuniteit tegen wormen op te bouwen.

Voordat een paard ontwormd wordt dient er daarom mestonderzoek  plaats te vinden.

Bij mestonderzoek wordt werkelijk geteld hoeveel wormeitjes zich in de mest van uw paard bevinden. Een kleine hoeveelheid mest wordt afgewogen en opgelost in een afgemeten hoeveelheid vloeistof. Een gedeelte van deze oplossing wordt in een telkamer gebracht en de aanwezige wormeitjes worden onder de microscoop geteld. De uitslag wordt uitgedrukt als het aantal wormeitjes per gram mest: EPG. De uitslag geeft een goede indicatie hoe hoog de wormei-uitscheiding bij uw paard is.  

Mestonderzoek geeft zeer bruikbare informatie over uw paard. De meest praktische toepassing is om te bepalen of uw paard nu wel of niet ontwormd moet worden. Als van alle paarden in een groep apart een mestonderzoek wordt uitgevoerd, zal slechts een gedeelte van de paarden een positieve uitslag hebben. Door een aantal maal per jaar een mestonderzoek uit te laten voeren, in combinatie met maatregelen die de infectiedruk verlagen (bijvoorbeeld weidemanagement), kan een evenwichtig wormbestrijdingsprogamma worden ontwikkeld waarin ontwormingsmiddelen niet onnodig worden toegepast.

 

U kunt op elk moment in het jaar beginnen met het mestonderzoek.

Als uw paarden het hele jaar buiten lopen kunt u het eerste onderzoek plannen vanaf half maart, en dan dienen alleen de paarden die veel wormeitjes uitscheiden te worden behandeld. In de zomer (juni - augustus) wordt een tweede mestonderzoek uitgevoerd en worden weer alleen de paarden die een hoge EPG hebben ontwormd. In het najaar adviseren we een laatste mestonderzoek, maar afhankelijk van de infectiedruk en uw wensen kunt u in de winter na onderzoek een breedspectrummiddel geven.

Infectieuze larven kunnen tot drie maanden overleven op een weide; in milde winters kunnen paarden dus tot laat in de winter geïnfecteerd raken.

In de periode van september tot en met februari kunnen er geen betrouwbare eitellingen op de rode bloedworm (kleine strongylide) worden gedaan. De larven van deze worm gaan in augustus tot oktober in een ruststadium in de darmwand zitten en ontwikkelen zich pas in december - januari weer tot volwassen, ei-uitscheidende wormen. Maar uw paard kan wel besmet zijn met andere wormsoorten.

 

Na het eerste jaar van onderzoeken en behandelen is er vaak een tweedeling te maken in paarden die gedurende de hele onderzoeksperiode een lage ei-uitscheiding hebben gehad en paarden die steeds positief werden bemonsterd, ondanks herhaaldelijk behandelen. De laatsten hebben weinig weerstand tegen worminfecties en zij zullen regelmatig moeten worden onderzocht en behandeld. Bij de eerste groep kan worden volstaan met twee mestonderzoeken per jaar, eenmaal in het voorjaar en eenmaal in het najaar. Voorwaarde is wel dat de manier waarop de paarden worden gehouden niet is gewijzigd en zich geen extreme weersomstandigheden hebben voorgedaan.

 

Met welke wormen kan een paard besmet zijn?

  • Veulenworm (Strongyloides westeri)
  • Grote strongyliden (Strongylus vulgaris
  • Kleine strongyliden (Cyathostominae
  • Spoelworm (Parascaris equorum)
  • Aarsmade (Oxyuris equi)
  • Lintworm (Anaplocephala perfoliata)
  • Longworm (Dictyocaulis arnfieldii)


Veulenworm
De larve van de veulenworm wordt door de merrie met de melk uitgescheiden. Het veulen wordt op deze manier gemakkelijk besmet. Ook kan een larve via de huid binnendringen en vervolgens een trektocht door het lichaam maken. De met de melk opgenomen, besmettelijke larven, worden in het lichaam van het veulen snel volwassen. Zo kan een besmet veulen al tien dagen na de besmetting eitjes in de mest uitscheiden. Na vier dagen ontstaan uit deze eitjes de besmettelijke larven. Deze kunnen weer door de huid heendringen en het veulen herbesmetten. Zestig procent van de Nederlandse veulens zijn geinfecteerd met de veulenworm. Besmette veulens hebben vaak diarree en koliek.

 

Grote strongyliden
Grote strongyliden zijn twee tot vijf centimeter grote wormen, maar komen bijna niet voor. Strongylus vulgaris maakt een trektocht door het lichaam. De larve kruipt door de darmwand en komt in de wand van de bloedvaten terecht. Vooral in de wand van de darmslagader, maar ook in de andere slagaders kunnen de larven ernstige beschadigingen veroorzaken. Uiteindelijk kruipen de larven weer naar de darmen, worden daar volwassen en leggen eitjes die met de mest in de buitenwereld terecht komen. Besmette paarden hebben diarree en soms koliek. Ze worden mager en hebben een doffe vacht. De eetlust is verminderd en ze kunnen koorts hebben. Ook kreupelheid en verlammingen kunnen het gevolg zijn van de beschadigingen die de larven in de slagaders veroorzaakt hebben.

 

Kleine strongyliden
De larven van deze kleinere worm kunnen na opname in het darmslijmvlies in een ruststadium overgaan. In deze “winterslaap” kunnen ze wel twee jaar aanwezig blijven. In de rustfase zijn de larven ongevoelig voor de meeste wormmiddelen. In de winter en het vroege voorjaar komen de larven massaal uit de darmwand. Larven van deze kleine strongyliden zie je in deze periodes als kleine rode wormpjes van ongeveer 2 tot 5 cm groot. Bij een ernstige besmetting zijn de gevolgen voor het paard groot. Vermageren, diarree, koliek en soms een zwelling van de onderborst kunnen dan optreden. In ernstige gevallen kan een paard aan de besmetting bezwijken. Deze infectie, ook wel cyathostominose genaamd, is eigenlijk de belangrijkste besmetting van onze paarden. Allereerst kunnen de gevolgen van een besmetting zeer ernstig zijn en daarnaast vraagt de preventie een gedegen en goed georganiseerde aanpak. Op plaatsen waar meerdere paarden bij elkaar gehouden worden kan dit het best overlegd worden met de dierenarts. Voor vragen kunt U contact opnemen.

 

Spoelwormen
De spoelworm kan wel vijftig centimeter lang worden. Vooral paarden tot een leeftijd van 1 jaar hebben last van deze worm. Na opname van het ei ontstaat hieruit de larve, die een trektocht maakt door het lichaam, waaronder de lever en de longen. In de longen worden de larven opgehoest en doorgeslikt, waarna zij in de darm terechtkomen en volwassen worden. Bij besmette veulens kan men een ruw haarkleed en een dikke buik zien. Ze groeien slecht en zijn snel moe. De eetlust kan verminderd zijn. Bij ernstige besmetting is het veulen sloom en wordt mager. Sommige veulens beginnen te hoesten en hebben last van neusuitvloeiiing. Als er zeer veel wormen aanwezig zijn, kan dat een verstopping van de darmen veroorzaken. Soms kan de darm zelfs scheuren, waardoor het veulen zal sterven.

 

Aarsmade
De aarsworm leeft in het achterste gedeelte van de darm van het paard. De wormen leggen eitjes rondom de anus. Wel achtduizend tot zestigduizend stuks. Dit veroorzaakt jeuk, waardoor het paard met zijn achterste tegen hekken en planken schuurt. De haren van de staart kunnen hierdoor afgebroken worden.

Lintworm
De lintworm leeft in de dunne en de blinde darm van het paard. De meeste infecties verlopen symptoomloos. Besmetting met deze worm kan koliek veroorzaken. Vaak zijn deze gevallen van koliek zeer ernstig. Bij besmetting met deze worm kunnen soms witte, platte wormen van ongeveer 3-4 cm lang in de ontlasting worden gezien. 

 

Longworm
Deze worm komt vooral voor bij ezels. De ezel heeft zelf zelden last van de besmetting. Worden paarden samen met ezels gehouden of geweid op land waar kort tevoren ezels hebben gelopen, kan het paard besmet worden. Een paard met een longwormbesmetting heeft een hardnekkige, droge hoest en een verminderde eetlust. De longen zijn aangetast door de wormen, waardoor het paard dampig kan worden.

 

Paardenhorzel
De paardenhorzel is geen worm, maar wel een inwendige parasiet van het paard. Het is een vlieg (Gastrophilus spp.) die vanaf mei, maar vooral tussen augustus en oktober voor onrust onder de paarden kan zorgen. De vlieg legt zijn eitjes op de vacht van het paard (met name op de onderbenen). Door likken neemt het paard vanaf de benen eitjes op. De ontwikkeling van de eitjes tot larven vindt plaats in de mondholte, dit duurt een paar weken. De larven komen in de maag van het paard terecht. Ze blijven daar meer dan een half jaar aanwezig en worden dan met de mest mee naar buiten gebracht. Via een popstadium ontstaat weer een nieuwe vlieg. De larven van de paardenhorzel kunnen maagbeschadigingen en vermagering veroorzaken. De eetlust kan verminderd zijn en de besmette paarden kunnen vaak gapen, maar de meeste infecties verlopen symptoomloos.

 

Behandeling en preventie
Besmetting is te voorkomen of te verminderen door:

  1. niet teveel paarden tegelijk te weiden
  2. de weiden regelmatig te maaien
  3. de mest regelmatig uit de wei te halen (minimaal twee keer per week)
  4. boxen van de paarden regelmatig te reinigen. 

 

Ontwormen 

Ontwormingsmiddelen worden tegenwoordig niet zomaar meer afgegeven. Eerst dient er mestonderzoek  plaats te vinden, om te voorkomen dat er resistentie tegen de gebruikte middelen kan ontstaan.

Bij mestonderzoek wordt werkelijk geteld hoeveel wormeitjes zich in de mest van uw paard bevinden. Een kleine hoeveelheid mest wordt afgewogen en opgelost in een afgemeten hoeveelheid vloeistof. Een gedeelte van deze oplossing wordt in een telkamer gebracht en de aanwezige wormeitjes worden onder de microscoop geteld. De uitslag wordt uitgedrukt als het aantal worm eitjes per gram mest: EPG. De uitslag geeft een goede indicatie hoe hoog de wormei-uitscheiding bij uw paard is.  

Mestonderzoek geeft zeer bruikbare informatie over uw paard. De meest praktische toepassing is om te bepalen of uw paard nu wel of niet ontwormd moet worden. Als van alle paarden in een groep apart een mestonderzoek wordt uitgevoerd, zal slechts een gedeelte van de paarden een positieve uitslag hebben. Door een aantal maal per jaar een mestonderzoek uit te laten voeren, in combinatie met maatregelen die de infectiedruk verlagen (bijvoorbeeld weidemanagement), kan een evenwichtig wormbestrijdingsprogamma worden ontwikkeld waarin ontwormingsmiddelen niet onnodig worden toegepast.

Het mestonderzoek kan het hele jaar door worden gedaan. Echter, in de periode van september tot en met februari zullen er geen betrouwbare eitellingen op de rode bloedworm (kleine strongyliden) kunnen worden gedaan

  1. Contact
  2. Openingstijden
  3. Medicijnen
Dierenkliniek De Rijp
Schoener 2
1483 TP De Rijp

T: 0299-671366
E: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
U kunt van maandag tot en met vrijdag een afspraak voor uw huisdier(en) maken.

Ook kunt u tijdens de inloopspreekuren op maandag, woensdag en vrijdag van 14.00 uur tot 14.30 uur en van 18.30 uur tot 19.00 uur terecht.

Voor het afhalen van medicijnen, voer en dergelijke is de kliniek op maandag tot en met vrijdag geopend van 9.00 uur tot 17.00 uur.

U kunt medicijnen bestellen door een mailtje te sturen naar Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..

Vermeld daarbij: 

 

  • de naam/het merk van het medicijn
  • gewenste hoeveelheid
  • de datum wanneer u de medicijnen komt ophalen
  • uw naam, adres en telefoonnummer

 

Na goedkeuring door de dierenarts ontvangt U van ons een mailtje of telefoontje zodra de bestelling voor u klaar ligt.

LICG

 

 

Doc & Booff

Doc & Booff
Volg ons op Facebook!